... & de Israël-connectie

Tot de onthullingen uit ‘De geest in de fles’ behoort de constatering dat het al heel vroeg kwam tot een samenwerking tussen Nederland en Israël, waarschijnlijk op verzoek van Israël. Al in 1963 ging Van Ormondt die kant op, in 1964 woonde TNO-onderzoeker Clarenburg een proef bij met een vliegtuig dat namaak-zenuwgas versproeide. In 1968 kregen de Nederlanders toegang tot het zeer geheime Israel Institute for Biological Research (IIBR) in Ness Ziona. Daar concentreerde Israël zijn research aan chemische en biologische wapens. In 1998 kwam het IIBR in het nieuws toen bleek dat het de beoogde afnemer was van een partij DMMP (dimethyl methylfosfonaat) die op de vrachtlijst stond van de in 1992 in de Bijlmer neergestorte El Al-Boeing. DMMP is een grondstof voor de productie van het zenuwgas sarin. Maar het is ook een stof waarmee gasmaskers en filterinstallaties worden getest.

De Nederlanders werkten op verschillend terrein samen met de IIBR-onderzoekers. Bijzonder waardevol was dat ze de Russische gasbeschermingsmiddelen te zien kregen die bij de Zesdaagse Oorlog in 1967 waren buitgemaakt op de Arabieren. De voornaamste contactpersoon bij het IIBR was de directeur van de chemische afdeling Zvi Pelah (ook genoemd: Pelchowicz). Het is nooit bewezen dat Israël ook zelf zenuwgassen produceerde. Wel is gesignaleerd dat Zvi Pelah al in 1961 over de synthese van sarin publiceerde en in 1963 de synthese van VX besprak. Het extreem dodelijke zenuwgas VX was pas in 1955 door ICI ontdekt. In een wetenschappelijk artikel van 1965 wordt Zvi Pelah bedankt voor de bereiding van een monster Dyflos. Dyflos (DFP) is een gifstof met de allure van een zenuwgas. Hoe Israël inzicht kreeg in het buitenlandse werk aan zenuwgas is niet duidelijk. De vermaarde organisch chemicus Ernst David Bergmann, de ‘vader’ van de Israëlische atoombom, deed tijdens de oorlog chemisch defensieonderzoek in Engeland en hield daar misschien vrienden aan over. Pelah was student van Bergmann en publiceerde geregeld samen met hem. Nederlandse wetenschappers herinneren zich dat het IIBR altijd uitstekende contacten had met Amerikanen én Russen.

SAMENWERKING

‘De geest in de fles’ geeft – heel indirect – ook informatie over de samenwerking tussen Israël en Frankrijk. Er wordt vastgesteld dat de Frans-Nederlandse proeven met zenuwgas in B2-Namous bijna steeds werden bijgewoond door Amerikaanse militaire waarnemers. Het boek noemt er enige met name. Onverwacht wordt zo duidelijk hoe de Amerikaanse inlichtingenman Dino Brugioni zo stellig aan journalist Seymour Hersh kon verklaren dat er in of vlak vóór 1960 bij de zenuwgasproeven in de Sahara ook Israëlische waarnemers aanwezig waren geweest. Amerikanen en Israëliërs hadden elkaar waarschijnlijk gewoon ontmoet.

Hersh publiceerde in 1991 ‘The Samson Option’ dat het werk aan de Israëlische atoombom beschrijft. Voor de veronderstelde aanwezigheid van Israëlische waarnemers in B2-Namous is dat boek lange tijd de enige bron geweest. Inmiddels kan de Israëlische presentie als een feit worden beschouwd. Na het sluiten van hun beruchte overeenkomst voor nucleaire samenwerking (in 1957) was er kennelijk voldoende vertrouwen ontstaan tussen Frankrijk en Israël om de Israëliërs toe te laten bij proeven met zenuwgas die duidelijk een offensief karakter hadden.

De historicus Avner Cohen, die bekend werd door zijn boek ‘Israel and the bomb’ (1998) kwam in 2001 in The Nonproliferation Review (Fall/Winter) met een analyse van het Israëlische programma voor de ontwikkeling van chemische wapens. Hij baseerde zich vooral op de memoires die Munya Mardor, oprichter van de Israëlische militair-industriële organisatie Rafael, in 1981 in het boek ‘Rafael’ opnam. Mardor schrijft dat David Ben-Gurion in 1955 besloot dat Israël zo snel mogelijk aan goedkope ‘niet-conventionele’ middelen moest zien te komen om een vijandelijke aanval met zulke middelen te kunnen vergelden. Het gaat hier om chemische wapens: gifgas. Volgens Cohen speelde Zvi Pelah een doorslaggevende rol in het programma. Pelah was ook aantoonbaar eerder bij defensieonderzoek betrokken. Zo publiceerde hij in de jaren vijftig over de kristallisatie van het explosief TNT.

Avner Cohen toont zich er in 2001 van overtuigd dat Israël ook werkelijk op grote schaal zenuwgas geproduceerd heeft. Maar nooit is duidelijk geworden waar deze productie zou hebben plaatsgevonden. Wel ging het – aannemelijke – gerucht dat het ergens in de Negev-woestijn zou zijn. Uiteindelijk wijst een sleutelzin in het boek ‘Rafael’ de weg. In de weergave van Avner Cohen (2001) luidt die: The program involved a crushing timetable, procurement of equipment and material from overseas, and the conversion of research facilities – as well as commercial plants – to production. Dit betekent dat de zenuwgasproductie in 1955 of kort daarna werd ondergebracht bij een al bestaande fabriek. Internet geeft veel informatie over de opbouw van de chemische industrie in Palestina en Israël, tijdens het Britse mandaat en na 1948. Een scriptie uit 1995 van de Nijmeegse computerspecialist Bart van den Berg bleek op korte termijn het meest toegankelijk. Van den Berg inventariseerde de opkomst van de industrie in de Negev-woestijn en geeft een compleet overzicht.

MAKHTESHIM

Het geheel overziend komt maar één fabriek voor het werk in aanmerking: Makhteshim Chemical Works. Deze onderneming werd in 1952 gevestigd in het woestijnstadje Beersheba waaruit in 1948 de 3.000 Arabische inwoners waren verdreven. Het werd aangewezen als groeikern en kreeg in 1952 elektriciteit en waterleiding. Na 1959 stroomde het stadje vol met Franse nucleaire technici die werkten aan de plutoniumreactor van Dimona. Maar daarover moesten zij zwijgen.

Makhtheshim, opgericht door de machtige arbeidersorganisatie Histadrut, produceerde, en produceert, insecticiden die volkomen volgens het zelfde principe werken als zenuwgassen, ze blokkeren de werking van het enzym cholinesterase. De fabriek gebruikt grondstoffen die ook voor de synthese van zenuwgassen kunnen worden aangewend. Het blijkt uit de vele Makhteshim-patenten die bij het Amerikaanse en Europese octrooibureau geregistreerd staan. Een van deze octrooien staat op naam van Zvi Pelah. Omgekeerd blijkt Makhteshim-octrooihouder Peretz Bracha te hebben samengewerkt met een onderzoeker van het IIBR. Een Amerikaanse mede-auteur van Bracha publiceerde op zijn beurt samen met de Zweedse zenuwgasexpert Bo Holmstedt. In 1968 publiceerde Bracha de uitkomsten van onderzoek naar stoffen die leken op amiton, alweer een stof met de allure van zenuwgas. Het wordt wel met VG aangeduid.

PLUTONIUMREACTOR

Een goed ingevoerde Nederlandse wetenschapper die anoniem wil blijven, bevestigde deze week dat Makhteshim inderdaad het zenuwgas produceerde. Eerst in Beersheba, later, vanaf begin jaren zeventig, in Dimona, waar de Israëlische plutoniumreactor staat. Overigens was de productie van zenuwgas, zie Frankrijk en Engeland, niet verboden en het is onaannemelijk dat Israël ooit als eerste gifgas zou hebben ingezet. Maar opeens is nu toch twijfel over de vraag welk land in het Midden-Oosten als eerste strijdgassen in productie nam: Israël of Egypte.

Peretz Bracha is in 1989 overleden, maar zijn zoon Gilad, die al twintig jaar in de VS woont, bleek per e-mail bereikbaar. Hoorde hij als kind wel eens over zenuwgas? Nee. Zijn vader sprak bijna nooit over zijn werk. Maar toch komt de Nederlandse mail niet onverwacht. In 1995 kreeg hij een knipsel opgestuurd uit de Israëlische krant Yediot Ahronot. Daaruit viel op te maken dat de Stasi (de Oost-Duitse geheime dienst) zijn vader én Makhteshim in verband bracht met de productie van zenuwgas. Het dossier had nummer #352.

NIMH-historicus Herman Roozenbeek bevestigt de speciale belangstelling van de Stasi voor de Nederlandse krijgsmacht. Na de Russen waren de Oost-Duitsers het beste geïnformeerd. Ook van Nederlandse zenuwgasonderzoekers legde de Stasi dossiers aan. Hoe de Russen en Oost-Duitsers aan hun kennis kwamen, is niet zomaar duidelijk. Ze doorzochten waarschijnlijk gewoon de open literatuur, zegt een van die Nederlandse wetenschappers. Maar er was een kortere weg. Een van de mededirecteuren van Zvi Pelah op het IIBR in Ness Ziona was de epidemioloog Marcus Klingberg. In 1983 werd Klingberg gearresteerd en tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij jarenlang had gespioneerd voor de Sovjet-Unie. Tot 1983 wisten de Russen precies wat er bij het IIBR en Makhteshim gebeurde.