Als wij gaan regeren, geven de koeien meer melk

Op verzoek van negen politieke partijen heeft het Centraal Planbureau de economische effecten van hun verkiezingsprogramma in kaart gebracht. Dat is al zes keer eerder gebeurd, voor het eerst in 1986. Daarmee is een unieke traditie opgebouwd. Het gaat niet om rapportcijfers. In het eerste hoofdstuk van Keuzes in Kaart 2011–2015 legt CPB-directeur Teulings het nog één keer uit. „Alle programma’s zijn goed, zij behelzen echter uiteenlopende keuzen.” De meerwaarde van de exercitie ligt erin „dat politieke partijen de neiging hebben of ervan verdacht worden hun boodschap mooier te verkopen dan de feiten rechtvaardigen. Door hun programma aan een onafhankelijke feitelijke analyse te onderwerpen, vergroten zij de geloofwaardigheid van hun boodschap.”

Zo is het maar net, getuige de volgende anekdote. In 1977 interviewde ik voor het weekblad Haagse Post samen met Nypels en Tamboer de top van de Communistische Partij Nederland (later opgegaan in GroenLinks). Onderwerp: het financiële fundament onder de vele beloften die de CPN aan de kiezers deed. Naar ons inzicht beloofden de communisten veel meer dan ze konden waarmaken Lijsttrekker Marcus Bakker beschouwde ons kennelijk als lakeien van het grootkapitaal en ging niet al te serieus op de vragen in. Voor zijn adjudant, de geharnaste actieleider Fré Meis uit Oost-Groningen, was het zo klaar als een klontje. Het CPN-programma vertoonde helemaal geen miljardengat, want „als wij gaan regeren, geven de koeien meer melk”.

Daarmee zou de CPN bij het planbureau niet zijn weggekomen, maar dat zou pas tien jaar later – uiteraard veel grondiger en systematischer – verkiezingsprogramma’s gaan toetsen op hun houdbaarheid en consistentie. Inverdieneffecten, waarop Meis doelde zonder dat woord te gebruiken, noteert het planbureau voor de korte termijn hoogst zelden. Het duurt nu eenmaal vijf à tien jaar, of nog langer, voordat op een verantwoorde manier vormgegeven maatregelen zoals onderwijshervormingen, huurliberalisering, beperking van de hypotheekrenteaftrek en meer marktwerking in de gezondheidszorg betekenisvolle effecten sorteren. Dit geldt ook voor de gevolgen van bezuinigingen, die nodig zijn om het begrotingstekort terug te dringen. Door het tekort weg te werken stopt de groei van de staatsschuld en gaan de rentelasten op langere termijn aanzienlijk omlaag. Zo komt geld vrij om meer productieve overheidsuitgaven te verhogen of om de belastingen te verlagen.

De CPB-modellen geven aan dat lastenverlichting goed is voor de economische groei. Wanneer het nationale inkomen flink toeneemt komen ook meer middelen beschikbaar voor de financiering van extra collectieve voorzieningen. Bezuinigingen verdienen zichzelf dus terug, maar op de middellange termijn – dus voor de duur van één kabinetsperiode – overheersen juist uitverdieneffecten wanneer partijen de overheidsfinanciën op orde willen brengen.

Een partij die de komende vier jaar voor 15 miljard euro bezuinigt, weet het tekort met nog geen 9 miljard euro terug te dringen. Bijna de helft van de bezuinigingen verdwijnt door tijdelijke uitverdieneffecten. Pas na verloop van een aantal jaren wordt het structurele effect van de bezuiniging gerealiseerd. Dat komt zo. De meeste ombuigingen van de collectieve uitgaven verminderen in eerste instantie de binnenlandse vraag. Een geringere vraag naar goederen en diensten leidt tot minder productie en hogere werkloosheid. Meer werkloosheidsuitkeringen en lagere ontvangsten uit inkomensheffing en btw zorgen ervoor dat het begrotingssaldo minder snel verbetert dan je zou verwachten.

Anders dan in het verleden, laat het CPB dit keer alleen de inspanning zien die partijen in eerste aanleg willen doen om het saldo te verbeteren. Zij loopt van 10 (SP) en 11 miljard (PvdA) tot 18 (CDA, SGP) en zelfs 20 miljard euro (VVD). Hoe meer een partij doet aan tekortverbetering, hoe groter de uitverdieneffecten zijn. Gemiddeld – bij een pakket van 15 miljard euro (D66, CU) – neemt de werkloosheid met 1 procent toe en valt de groei van het nationale inkomen een half procent lager uit. Gezien het nog broze economische herstel nemen partijen die zwaar op bezuinigingen inzetten dus een grote gok. Te drastisch bijsturen kan het land opnieuw in recessie storten. Links richt minder schade aan, maar schuift een groter deel van de problemen door naar latere kabinetsperioden, ten koste van hogere rentelasten.

In Keuzes in Kaart kijkt het CPB alleen naar de bijdrage die programma’s leveren aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de zeer lange termijn (tot 2040). Hier scoren partijen die het meeste bezuinigen in het algemeen gesproken het beste. Op de lange termijn verdwijnt de vraaguitval en krijgen structurele positieve effecten de overhand. Voor de berekening van de macro-economische gevolgen van de programma’s tot 2015 (groei nationaal inkomen, werkloosheid, inflatie) en hun koopkrachtgevolgen voor verschillende groepen ontbrak dit keer de tijd, door de voortijdige val van het kabinet. Zo wordt met name de PvdA – die daarbij relatief goed uit de bus zou komen – alsnog gestraft voor het verlaten van het kabinet. In CDA-kring zullen sommigen deze afloop zien als een ‘act of God’.