'Als je ouder wordt, verdwijnt de angst'

Twintig jaar na de moord op zijn vader durfde de Colombiaanse schrijver Héctor Abad zijn verhaal van liefde en duisternis op te schrijven. Deze maand verschijnt de Nederlandse vertaling. ‘Met louter schelden kun je geen literatuur maken.’

Over de hardheid van het leven hoef je de Colombiaanse schrijver Héctor Abad niets te vertellen. Het geweld dat zijn land al zoveel jaren teistert, heeft zijn bestaan overhoop gegooid en voorgoed getekend.

Hij was 28 toen zijn vader – medicus, activist voor de mensenrechten en bron van liefde en zelfvertrouwen voor zijn onzekere zoon – op een dag in koelen bloede werd doodgeschoten. Op straat, op weg naar een herdenking voor een andere activist die net vermoord was. Toen Abad even later kwam aanrennen lag zijn held, de man die hem in het harde Colombia met zachte hand had opgevoed, in een plas bloed onder een laken. De daders zijn nooit gepakt.

Maar Abad – schrijver, columnist en inmiddels de vijftig gepasseerd – is een zachtmoedige man gebleven. „Ik denk dat je de hardheid van het leven alleen kunt verdragen”, schrijft hij in zijn ontroerende boek Het vergeten dat ons wacht, als je ouders je in je jeugd veel liefde hebben gegeven.” En veel liefde kréég Abad als kind, vooral van zijn vader. Die vond alles goed wat zijn zoontje deed.

Hij verwende hem, knuffelde hem onophoudelijk en prees hem de hemel in voor wie het maar horen wilde. Toen het jongetje na zijn eerste week op school nog altijd niet kon wennen, vond papa het best dat hij nog maar een jaartje thuis bleef. Het was zo’n opluchting, herinnert hij zich nu als volwassen man, „als ik eraan terugdenk krijg ik nóg een licht gevoel in m’n hoofd”. Ook later, als student, kreeg hij volledig de vrije hand van zijn vader om te doen en laten wat hij wilde.

In een wereld van machos die niet met gevoelens te koop lopen was het een uitzonderlijke warme relatie tussen vader en zoon. Als je wilt dat je kind een goed mens wordt, maak het dan gelukkig, was de filosofie van Abad senior. Hij had de zweep noch het schrikbeeld van de duivel nodig om zijn kinderen op te voeden. Verwennen was het beste.

„Als er al een beetje geluk is in mijn leven, als ik al een beetje volwassen ben, als ik me bijna altijd fatsoenlijk en min of meer normaal gedraag”, schrijft Abad, „als ik geen asociaal mens ben, en nog steeds vredelievend, hoewel ik aanslagen en verdriet te verduren heb gekregen, dan denk ik dat dat simpelweg komt omdat mijn vader van me hield zoals ik was, een vormeloos kluwen van goede en slechte sentimenten.”

Deze maand logeert Abad een paar dagen in een appartement in het centrum van Verona. Het is zondagochtend elf uur. De kerkklokken overstemmen de deurbel en de intercom. Het duurt even voordat Abad opendoet. In de deur verschijnt een hartelijke man die zich gerust „fatsoenlijk, min of meer normaal en niet asociaal” kan noemen. Met de jetlag van zijn reis uit Colombia nog in de benen gaat hij in de keuken voor zijn gast en zichzelf eerst een kannetje sterke koffie zetten.

„Op Eerste Kerstdag 1987 kwam ik naar Europa, eerst naar Spanje, een paar maanden later naar Verona. Mijn vader was vermoord, en daarna nog een aantal van zijn geestverwanten. Hoewel ik zelf nooit een politieke activist ben geweest, werd ook ik telefonisch bedreigd. We waren enorm geïntimideerd en doodsbang. Halsoverkop ben ik toen vertrokken.

„Italië voelde niet als ballingsoord, eerder het paradijs. Ik had hier al gestudeerd, ik was met een Italiaanse getrouwd, en Italië was toen nog een vrolijk land. Berlusconi was nog niet aan de macht. Eerst vond ik werk in een schoenenfabriek in Turijn, maar al snel kon ik hier leraar Spaans worden.

„Vier jaar heb ik in Verona gewoond. Maar allengs begon het Italiaans mijn Spaans te verdringen. Ik besefte dat ik nooit goed zou kunnen schrijven in een taal die ik niet van jongs af aan heb gesproken. Daarom ben ik in 1992 teruggekeerd naar Colombia.”

Na de moord heeft het bijna twintig jaar geduurd voor Héctor Abad Faciolince, zoals hij voluit heet, zijn verhaal kon opschrijven. Voor hij het aandurfde, voor hij de juiste toon vond, voor hij als schrijver zo ver was dat hij zijn eigen verhaal van liefde en duisternis aan de wereld kon vertellen. Het moest gaan over de dood van zijn vader. Maar ook over zijn eigen gelukkige jeugd in een ongelukkig land. Over het gezin waarin hij opgroeide en waarin zijn vader en hij de enige mannen waren te midden van tien vrouwen – zijn moeder, vijf zussen, twee dienstmeisjes, een inmiddels hoogbejaard voormalig kindermeisje van de familie en niet te vergeten zuster Josefa, de strenge huisnon. En ten slotte moest het verhaal gaan over Colombia, dat land waar na decennia van geweld tussen drugshandelaren, guerrillastrijders, paramilitairen en het leger nog altijd mensen hun nek uitsteken voor vrede en een betere toekomst.

Het boek werd een grote bestseller. In Colombia, waar tienduizenden zonen en dochters hun vaders hebben verloren door politiek en crimineel geweld, herkenden veel lezers zich in het verhaal. De melancholieke titel – El Olvido que Seremos, letterlijk: Het vergeten dat we zullen zijn, maar in de Nederlandse vertaling die dezer dagen uitkomt: Het vergeten dat ons wacht – ontleent Abad aan een sonnet van Borges. Zijn vader had het gedicht waarschijnlijk op de ochtend van zijn dood met de hand overgeschreven. Wij zijn reeds het vergeten dat ons wacht, luidt de eerste regel. Het vel papier werd later die dag, schrijft Abad, onder de bloedvlekken teruggevonden in zijn binnenzak.

De moordenaars van uw vader lopen nog altijd vrij rond. In regering, parlement en leger zitten mensen die nauwe banden hebben met de paramilitaire groepen die mensen als uw vader vermoordden. Hoe is het mogelijk dat er vrijwel geen woede in uw boek zit?

„Het zou verraad zijn aan de opvoeding die ik van hem heb gekregen. Hij had altijd een positieve levenshouding, en die liet hij zich niet afnemen, ook niet door zijn vijanden. Daarom wilde ik geen kwaad en wraakzuchtig boek schrijven.”

Dat klinkt heel rationeel, maar woede en wraakzucht zouden toch heel menselijk zijn geweest?

„Jawel, maar het is een hele tijd geleden gebeurd. Als ik het boek meteen na de moord had geschreven, zou ik het waarschijnlijk alleen in een gewelddadige taal hebben kunnen doen. Toen ik die dag mijn vader op straat zag liggen, schreeuwde ik: stelletje klootzakken! Dat was mijn spontane reactie, maar het was niet erg literair. Met louter schelden kun je geen literatuur maken.”

Abad heeft een nu eens vrolijke, dan weer breekbare oogopslag. Zijn glasheldere Spaanse zinnen spreekt hij op een rustige, soms zoekende manier uit. Hij neemt de tijd.

Is het u, behalve als schrijver, ook als mens gelukt de woede achter u te laten?

„Onze familie is in al die jaren niet in de eerste plaats uit geweest op rechtvaardigheid, meer op de waarheid. Maar ook die hebben we nooit gekregen. Dat is moeilijk. In het boek wijs ik de paramilitaire groepen wel aan als schuldigen, mijn vader stond vanwege zijn activisme en inzet voor de mensenrechten op hun dodenlijst. Maar de zaak is nooit opgelost. Over heel wat mensen kunnen we denken: die zou medeplichtig geweest kunnen zijn. Maar of het echt zo is weet je niet. Je moet je politieke tegenstanders respecteren vind ik, maar er is altijd de schaduw van de twijfel. En het is heel onaangenaam om in twijfel te leven.”

Is de situatie in Colombia verbeterd?

„We maken nu een zeldzaam moment van uitbundig geluk mee. Op 30 mei zijn er presidentsverkiezingen, en er kan een wonder gebeuren. Twee vormen van politiek staan er tegenover elkaar. De ene wordt belichaamd door de oud-minister van Defensie Santos, die denkt in termen van confrontatie en oorlog, van verdediging en angst. Hij leidde de operatie waarmee Ingrid Betancourt, die jaren gegijzeld was door de guerrillabeweging FARC, werd bevrijd. Maar hij was ook verantwoordelijk voor vreselijke operaties waarbij onschuldige jongens werden doodgeschoten door het leger, dat ze wilde laten doorgaan voor guerrillastrijders omdat de militairen dan voor ieder lijk een financiële beloning kregen.

„Voor een hele andere visie staat Santos’ rivaal Mockus, van de Groene Partij, een wiskundige die als burgemeester van Bogotá onderwijs en burgerschap tot zijn speerpunten heeft gemaakt. Alleen al het feit dat hij een serieuze kans maakt de verkiezingen te winnen is heel bijzonder. Zijn running mate is Fajardo, ook een wiskundige en ook een succesvolle ex-burgemeester, van Medellín, waar ik zelf vandaan kom. Allebei hebben ze veel voor elkaar gekregen: het aantal moorden in hun stad hebben ze bijvoorbeeld flink weten terug te dringen.

„Stel je voor dat ze de presidentsverkiezingen winnen: twee wiskundeprofessoren die een oud-minister van Defensie verslaan! Als ze deze twee niet vermoorden, en electorale fraude geen roet in het eten gooit, zou dit een fantastisch teken zijn dat Colombia uit de ellende kan komen. Ze willen veel meer geld uittrekken voor onderwijs, wetenschap en technologie. Natuurlijk is het ook nodig om de vele ontvoeringen in Colombia aan te pakken. Maar dat alleen is niet genoeg. We hebben hoop nodig, om weer te kunnen dromen. Om jongeren het vertrouwen te geven dat de keten van geweld doorbroken kan worden, dat ze geen soldaten van de guerrilla hoeven te worden, of bij de maffia of de paramilitairen hoeven te gaan, dat het zin heeft om naar school te gaan en een beter land op te bouwen.

„Ik denk niet dat het moorden opeens zal ophouden als Mockus president wordt. Maar het zal niet meer onder toezicht van de regering gebeuren. Als een guerrillabeweging mensen ontvoert is dat heel erg, maar zij is geen onderdeel van de staat. Als de veiligheidsdienst van de regering zich schuldig maakt aan het vermoorden van vakbondsleiders en docenten aan de universiteit, wat gebeurt, dan is dat veel erger. Dat ondermijnt alle legitimiteit van de staat. Mockus zal dat niet toestaan.”

Heeft u eerder zo’n hoopvol moment voor Colombia meegemaakt?

„Ja, in 1989 was er een vergelijkbare kandidaat, Luis Carlos Galán. Maar twee maanden voor de verkiezingen heeft de maffia hem vermoord. In één dag werd Colombia twintig jaar teruggezet. Hetzelfde was eind jaren veertig gebeurd, toen Jorge Eliécer Gaitán werd vermoord, ook een kandidaat van de hoop. Daarom zijn we nu zo bang dat er weer iets dergelijks gebeurt. Op Facebook zijn al dreigementen verschenen: we gaan Mockus vermoorden.” Even moet Abad slikken. „Het mag niet weer zo ver komen.”

Is een politicus in Colombia niet te beveiligen?

„Natuurlijk heeft Mockus lijfwachten, maar het ligt niet in zijn aard om zich helemaal met militaire bescherming te omringen. Hij is het soort politicus dat direct contact met de bevolking wil hebben, hij gaat de straat op, naar de mensen toe, dat is nu juist waar het hem om gaat.”

Als columnist bent u steeds politieker geworden. Bent u niet bang dat u zelf iets overkomt?

„Ik bedrijf alleen een journalistieke vorm van politiek. Mijn activisme is uitsluitend een kwestie van schrijven. En op mijn leeftijd, als je grijze haren krijgt, maak je je minder druk om je zelf. Wat je in je persoonlijke leven aan het opbouwen bent, wordt minder belangrijk, je wilt meer bijdragen aan de verbetering van je land. Als je kleine kinderen hebt, ben je het soms aan hen verplicht om bang te zijn, om jezelf beperkingen op te leggen. Ik wil geen martelaar worden, maar naarmate je ouder wordt verdwijnt de angst om te handelen in overeenstemming met je geweten.

„Bovendien, ik schrijf stukken in de krant. Dat heeft maar beperkte invloed. Wat echt gewicht in de schaal legt is natuurlijk televisie. En internet, dat zich ontwikkelt tot een geduchte concurrent. Mockus heeft via het internet veel jonge kiezers aan zich weten te binden.”

Ziet uw familie niet met lede ogen aan dat u zich, na uw vader, ook weer met de politiek bemoeit?

„Soms bellen mijn zussen me op: schrijf dit of dat toch niet op! Straks gaan ze jou ook doodschieten! Ik denk dat families overal ter wereld altijd bang zijn dat de geschiedenis zich herhaalt, dat het leven een cyclus is. Zoals ik ook bang ben dat ze Mockus gaan vermoorden, omdat ze eerder Gaitán en Galán hebben vermoord. Mijn zus Marta was zestien toen ze overleed aan huidkanker. Dat heeft tot veel verdriet geleid in onze familie en ook veel sporen nagelaten. We zijn nog altijd geobsedeerd door de angst dat iemand huidkanker krijgt. Voortdurend gaan we naar de dermatoloog en we zitten allemaal onder de littekens van de weggehaalde moedervlekken.

„Maar de geschiedenis hoeft zich niet te herhalen, ook niet voor landen. Duitsland bleek niet gedoemd om altijd maar oorlog te voeren. Je kunt leren van de geschiedenis.”

Uw vader was arts en zei: de ergste bedreiging voor de gezondheid van de mens is niet honger of diarree, maar de medemens. Bent u ook zo somber?

„Hij was niet somber, hij keek naar de statistieken. Toen diarree de belangrijkste doodsoorzaak in Colombia was begon hij te pleiten voor de aanleg van rioleringen en voorzieningen voor drinkwater in arme buurten. Toen geweld de belangrijkste doodsoorzaak werd, wilde hij op zoek naar de oorzaken daarvan. Hij ontdekte dat politiek fanatisme een belangrijke oorzaak was – en dus begon hij dat te bestrijden. Hij zag het als een medisch probleem. Hij nam deel aan manifestaties, probeerde te bemiddelen in politieke crisissituaties, hij kwam in het geweer tegen schendingen van de mensenrechten en stelde zich zelfs kandidaat voor het burgemeesterschap van Medellín.

„Maar zoals artsen die vroeger de builenpest bestreden vaak ook zélf aan de ziekte ten prooi vielen, zo stierf mijn vader ook aan het gevecht tegen de pest van zijn tijd. Hij was een medicus in de volle zin van het woord: hij wilde opkomen voor het menselijk leven, dat was zijn belangrijkste drijfveer.”

Ging u wel eens tegen hem in?

„Hij gaf me zoveel liefde, dat ik me als adolescent niet tegen hem kon afzetten. Ik kon in hem geen tegenstander zien. Het enige wat ik kon doen was afstand van hem nemen door naar het buitenland te gaan. Later nam ik ook in politiek opzicht afstand van hem. Tegen het eind van zijn leven vond ik hem te links.

„We hadden eens een discussie waarin hij een zin aanhaalde die geloof ik uit de Mexicaanse revolutie afkomstig is: zonder rechtvaardigheid kan en mag er geen vrede zijn. Dat is een rechtvaardiging van geweld, zei ik, een vreedzame onrechtvaardigheid is altijd nog beter dan onrechtvaardigheid met oorlog. Wie geweld gebruikt verspeelt zijn morele gezag.

„Mijn vader is nooit gewelddadig geweest, en hij heeft nooit een vlieg kwaad gedaan, maar hij was het niet met me eens. Hij was een romanticus, ook over zijn eigen gewelddadige einde, dat hij wel zag aankomen. Het leek hem een vreselijke, maar ook een waardige dood. Hij had het idee, in de woorden van Petrarca, dat un bel morir tutta la vita honora – dat een mooie dood een heel leven eert.”

Er valt een lange stilte als tegen het eind van het gesprek aan de orde komt dat bij interviews in dit weekblad altijd een inzetje geplaatst wordt, onder de kop Beslissend moment, met een oude foto van de geïnterviewde. „Dat kan eigenlijk maar één foto zijn”, zegt Abad aarzelend. Hij staat op, haalt zijn laptop uit de keuken en begint in de computer te zoeken. „Hij is wel hard”, zegt hij als hij gevonden heeft wat hij zoekt, „maar dit moet hem zijn. In Colombia publiceren we hem nooit, maar in het buitenland soms wel.” Een grofkorrelig beeld vult het scherm. Half op de stoep, half op straat, met een laken bedekt, ligt zijn vader, omringd door zijn vrouw, dochter, schoonzoon en zoon. „Het is gruwelijk”, zegt Abad zacht. „Maar er zit ook iets in van een pietà.”

Kun je dit een waardige dood noemen?

„Als je gedood wordt omdat je geroofd hebt of iemand hebt ontvoerd, dan heeft de maatschappij zich verdedigd, dan is het geen waardige dood. Maar als je gedood wordt omdat je tolerantie predikt en bepleit dat het moorden ophoudt, en als je daarbij alleen woorden gebruikt en geen wapens, ja, dan is het een waardige dood.

„Niets wat mijn vader heeft gedaan rechtvaardigde de zes kogels die ze op hem hebben afgevuurd. Hij is gestorven voor een goede zaak. Het was een dood die bij anderen het besef kan opwekken van wat rechtvaardig is en wat niet, en dat dit zich niet mag herhalen. Dat is het enige goede dat uit zoiets kan voortkomen.”

Het vergeten dat ons wacht, uitgeverij De Geus, € 19,90.