Willem de Huichelaar

Noodgedwongen koos Willem van Oranje voor de Opstand, terwijl hij een poldermodel voorstond. Tegen zijn zin zette hij zijn kaarten in op de radicale calvinisten.

Olaf Mörke: Willem van Oranje (1533-1584). Vorst en ‘vader’ van de republiek. Atlas, 300 blz. € 34,95

Willem de Zwijger noemden ze hem liever niet – zeker niet in de 19de eeuw. De eerste grote vaderlandse historicus van de Leidse Universiteit, Robert Fruin, verordonneerde dat de enige juiste bijnaam voor Willem van Oranje was: Vader Willem. Het toevoegsel De Zwijger moest worden verbannen. Geschiedenis was toen net een verplicht vak geworden op de lagere school ‘tot opwekking van vaderlandsliefde als bestanddeel der nationale opvoeding’, zoals het in de wet van 1857 heette. Willem van Oranje (1533-1584) was hiervoor een dankbaar onderwerp, de onbetwistbare Vader des Vaderlands. ‘De Zwijger’ werd wel als eervol attribuut beschouwd – want zwijgen is immers een deugd – maar de oorsprong was een andere. Zijn vijanden aan het Spaanse hof in Brussel hadden die bijnaam bedacht omdat Willem van Oranje in hun ogen jarenlang zijn ware opvattingen verzweeg: naar buiten toe manifesteerde hij zich als een oprechte katholiek, ondertussen heulde hij met lutheranen, calvinisten en geloofstwijfelaars. In de ogen van kardinaal Granvelle, bureaucratische handlanger van de Spaanse koning, speelde Willem van Oranje dubbel spel: Willem de Zwijger stond voor Willem de Huichelaar.

Met de religieuze elasticiteit van de Vader des Vaderlands hebben generaties achtereen geworsteld. Katholieken wensten zich maar zeer geleidelijk met hem te associëren, protestanten lijfden hem in als hun kampioen van de ware religie en liberalen probeerden het allemaal wat te relativeren, wat niet meeviel in een tijd dat religie ongeschikt was voor relativering.

Religieuze flexibiliteit

Pas bij de grote Willem van Oranje herdenkingen van 1984 – vierhonderd jaar na zijn dood – kon historicus Anton van der Lem met recht en reden constateren dat er nu toch een brede consensus was gegroeid over twee bewonderenswaardige kanten van Willem van Oranje: zijn ideaal van godsdienstige verdraagzaamheid en zijn ideaal van een groot vaderland. Mochten we, aldus Van der Lem toen, ooit nog eens ons ‘staatsverband willen verwijden’ dan zouden Belgen en Nederlanders probleemloos Willem van Oranje als gezamenlijke vader des vaderlands in ere kunnen houden. Bij zoveel consensus was het epitheton De Zwijger geen schande.

Twintig jaar later schrijft de Duitse historicus (en hoogleraar in Kiel) Olaf Mörke een biografie over Willem van Oranje en in de ondertitel zit een aanvliegroute vervat, die zich niet meer zozeer richt op religie maar veel meer op staatsvorming: Vorst en ‘vader’ van de Republiek. Hoewel Mörke als Duitser een gezonde scepsis tegen heldenverering aan de dag legt, schrijft hij met sympathie over zijn onderwerp.

Op het eerste gezicht heeft het religieuze gegoochel van Willem van Oranje in de jaren zestig van zijn eeuw soms iets opportunistisch. Zijn – korte tijd later overleden – zoon Maurits uit zijn huwelijk met Anna van Saksen liet hij in december 1664 katholiek dopen, maar de doopvaders waren luthers. Al eerder toen hij Anna van Saksen wilde trouwen, had hij haar achterban verzekerd van zijn lutherse inslag en zijn formele broodheer, de Spaanse koning Filips II, van zijn katholieke trouw. Maar, zo betoogt Mörke, we zijn hier niet getuige van huichelarij maar van het vermogen om ‘op het politieke vlak te leren’. Het theologische en filosofische debat in die jaren stimuleerde tot vreedzame coëxistentie van uiteenlopende religies. Dat leek in een gebied met zoveel godsdienstige meningsverschillen de enige uitweg. Maatschappelijke orde was belangrijker dan godsdienstige waarheidsvinding met alle risico’s tot scherpslijperij van dien. Eenheid van religie en van staat paste daar eigenlijk niet meer in. Religieuze flexibiliteit was maatschappelijke wijsheid.

Dat ging uiteindelijk mis. De Spaanse koning zocht centralisatie ten koste van de adel in de lage landen en zocht katholicisme ten koste van landvrede in het gebied. Vooral de lagere adel weigerde dat; godsdienstig oproer deed de rest. In deze polarisatie was voor het gematigde midden geen plaats meer en ergens tussen 1564 en 1568 ging, om het anachronistisch uit te drukken, bij Willem van Oranje de knop om. Hij nam afscheid van de illusie nog langer zijn achterban, zijn familie en de Spaanse koning tegelijkertijd te kunnen dienen en koos voor de Opstand met alles wat eraan vast zat.

Die Opstand was niet een door Willem van Oranje gestuurd proces. Daarvoor was het veel te complex, met regionale en stedelijke belangen, met geloofsijver en uiteenlopende standstradities in verschillende provincies. Zeer tegen zijn zin zag Willem zich gedwongen zijn kaarten op de calvinisten te zetten. Hij bekeerde zich er weliswaar toe, omdat hij anders zijn achterban dreigde te verspelen, maar telkens weer was het hem eigenlijk veel te radicaal.

Mythe

Zo concludeert Mörke dat Willem ‘een van de bepalende hoofdacteurs’ van de Opstand was, maar dat de mythe van de Vader des Vaderlands op een verkeerde vooronderstelling berust: het suggereert ten onrechte dat het hier om één persoon ging, en om één doel. En zo was het niet. Willem van Oranje zelf had in feite nooit gedacht aan de republikeinse staatsvorm, niemand trouwens. Tot zijn dood was hij overtuigd van een of andere monarchale invulling van het soevereiniteitsgat aan de top. Vandaar de ironische ondertitel met aanhalingstekens ‘vader’ van de Republiek. Je zou zelfs nog een stap verder kunnen gaan, maar dat doet Mörke niet: in zekere zin kwam Willem van Oranje door omstandigheden gedwongen in het verkeerde land en bij de verkeerde religie terecht, in Holland en bij de calvinisten, hetgeen Vader des Vaderlands een nogal uitbundige term maakt.

Het verhaal van Willem van Oranje is iedereen vertrouwd en voor het geval iemand het vergeten mocht zijn, staat Willem van Oranje weer in het centrum van de historische canon. Het is het verhaal van de trouwe rechterhand van keizer Karel de V en daarna Filips II, die ten slotte eindigt als symbool van de Opstand en begin van de Noord-Nederlandse natie. De al dan niet daadwerkelijk uitgesproken laatste woorden (‘Mijn God, mijn God, heb medelijden met mij en met uw arme volk’ – maar dan in het Frans) moesten voor volgende generaties duidelijk maken dat stadhouder Willem geloofskracht en verantwoordelijkheidsgevoel voor het volk als zijn finale deugden had doen gelden.

Olaf Mörke schreef een gedegen politieke biografie. Helaas is hij niet zo nieuwsgierig naar de achterkant van het bizarre leven van Willem van Oranje. Zijn uitbundige eerste levensfase, zijn curieuze huwelijken, zijn overgang naar een missie die groter was dan hijzelf – dat intrigeert hem minder. Maar gedegen is het en ook nog mooi geïllustreerd. Jammer alleen van het Nederlands met al die lange (bij)zinnen. Duits wordt daar speels van, het Nederlands minder.