Wie was die onbekende, even beroemde Kruls ook al weer?

Jaap Hoogenboezem: H.J. Kruls. Een politieke generaal. Boom, 317 blz. € 29.50

Vóór de oorlog was en bleef H.J. (van Hendrik Johan) Kruls een onbekende Nederlander. Hij begon als een niet al te briljante HBS’er, die wel meteen z’n bestemming kende: het leger. Ook op de Koninklijke Militaire Academie moet hij niet echt hebben uitgeblonken, maar hij was een deugdelijk en nijver student, die ook nog de vervolgstudie aan de krijgsschool en z’n doctoraal rechten afmaakte, z’n reguliere promoties incasseerde, en op 10 mei 1940 – hij was toen 38 en kapitein bij de staf – de aangewezen man leek om als adjudant van minister van Defensie Dijxhoorn mee te vluchten naar Londen. Toeval speelde een grote rol bij de manier waarop hij werd ‘uitverkoren’ – maar toevalligheden zouden hem ook in de rest van zijn carrière goed gezind blijken.

Tussen 1940 en 1945 zou Kruls een onbekende Nederlander blijven: allengs een factor van betekenis in de Londense kolonie, maar overigens iemand wiens naam en faam pas laat in 1944 in het bezette Nederland een beetje gekend raakten. Totdat hij via sleutelposities binnen de Landmacht tot chef-staf bleek te zijn opgeklommen van het nog op te richten Militair Gezag, waaraan bij terugkeer van de verbannen regering naar het vaderland, grote macht zou worden toevertrouwd. Kruls werd ineens een zeer bekende, en in sommige kringen nogal gehate Nederlander.

Dat de bangelijk uitgevallen politici in Londen bij terugkeer een soort ‘staat van beleg’ voorbereidden, was verklaarbaar: zij vreesden bij de bevrijding een gezagsvacuüm waarin communisten de macht zouden kunnen grijpen.

En het toeval wilde weer dat Kruls zich in Engeland had geprofileerd als een betrouwbare, rechtse onderdaan, met het soort gezonde hekel aan ‘de politiek’ dat bij de oude koningin toevallig in goede aarde viel. Kruls’ Londense vijanden waren van meet af aan ook de ministers van SDAP-huize geweest – om maar te zwijgen van individuele ‘anarchistische’ ballingen als Jacques Gans, in wier ogen hij niet veel beter was dan een fascist.

Zijn autoritaire optreden bracht hem in Nederland onmiddellijk in conflict met ex-illegale organisaties, met gemeentebesturen en met politiekorpsen die zich ‘overruled’ voelden door maatregelen waarmee het Militair Gezag hinderlijk in hun bevoegdheden trad.

Lang hebben de spanningen in het pas bevrijde land niet hoeven duren. Al in 1946 werd het Militair Gezag – bij gebrek aan bolsjewistische coupplegers – weer opgeheven.

Kruls bracht het nog tot voorzitter van de verenigde chefs van staven, alvorens in 1951 (na een conflict met zijn minister) ontslag te nemen en voor de rest van zijn leven, tot 1975, weer een onbekende, verongelijkte Nederlander in het bedrijfsleven te worden.

Zijn portret werd geschreven door Jaap Hoogenboezem die veel van zijn sympathieën voor vlag, vaderland en volkslied lijkt te delen, maar die het beeld oproept van een vreugdeloze man. Des te verwonderlijker om aan het einde van het boek te lezen wat Kruls’ (tweede) echtgenote getuigde: ‘Mijn man is een humorist. Bij z’n verhalen is iedereen in tranen van de lach.’