Wat nou, poëtische gerechtigheid?

De Catalaan Josep Sagarra betoont zich in Privéleven een meeslepend moralist, in de cynische betekenis van dat woord, en een groot psycholoog.

Josep Maria de Sagarra: Privéleven. Uit het Catalaans vertaald door Frans Oosterholt. Menken Kasander & Wigman. 467 blz. € 29,50

Weinig romans beginnen zo viezig als Privéleven van de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra. ‘Toen de oogleden opengingen,’ zo luidt de eerste zin van deze roman, ‘klonk een haast onhoorbare klak, alsof ze aan elkaar geplakt zaten als gevolg van een voorbije symbiose met tranen en rook, of door de secretie die geïrriteerde ogen afscheiden na heel lang te hebben gelezen bij onvoldoende licht.’

Dat moet er in 1932, toen Privéleven verscheen, bij de lezers behoorlijk hebben ingehakt. De roman werd al snel een schandaal, niet in de laatste plaats omdat deze kroniek van de ondergang van de Barcelonese adel gemakkelijk als een sleutelroman gelezen kon worden. En in zekere zin was hij dat ook. Sagarra vertelt met veel oog voor detail hoe de wereld die hij als telg van een Catalaans adelsgeslacht van zeer nabij kende, het moet afleggen tegen een realiteit van geld, handel en industrie.

Veel weerstand kon die oude wereld niet meer bieden. Haar bewoners waren afstammelingen ‘van dertig generaties die nooit iets hadden uitgevoerd’, schrijft Sagarra, en dat leidt onvermijdelijk tot karakterzwakte en decadentie. Die boodschap wordt de lezer in Privéleven danig ingepeperd. Maar Sagarra toont zich daarbij zo’n scherpe waarnemer en zo’n subtiele meester in het bondig geformuleerde, veelzeggende beeld dat je hem zijn neiging tot uitleggerigheid graag vergeeft.

En zo zet de roman met zijn kleverige openingszinnen direct de toon voor een boek waarin vrijwel niemand aan Sagarra’s ontluisterende kijk op zijn directe omgeving ontkomt. Het minst van allen misschien wel de lamlendige Frederic de Lloberola, van wie de oogleden zijn die in die openingszin zo vadsig worden opgeslagen. Het is halverwege de middag en Frederic wordt wakker in het bed van een vroegere minnares, met wie hij na vijftien jaar vreugdeloos huwelijksleven de draad weer heeft opgepakt. Niet dat dat hernieuwde slippertje tot grotere vreugde heeft geleid: ‘Op het kussen [naast hem] lag het beetje vet, het beetje vocht, de holte waar haar schedel had geleden...’ Van begin af aan is de toon van geestelijke en lichamelijke verrotting gezet.

Sagarra smeert de verwording van het geslacht der Lloberola’s over drie generaties uit. De vader van Frederic leeft nog helemaal in een verleden dat allang opgehouden heeft te bestaan. Gedwongen zijn landerijen en ten slotte zelfs zijn herenhuis te verkopen, probeert hij in een armzalig appartement met steeds minder succes zijn stand op te houden. Frederics dochter Maria Lluïsa heeft de adellijke pretenties inmiddels ingewisseld voor een modern bestaan als secretaresse op een bank, meer geïmponeerd door jongelui met snelle automobielen dan door wapenschilden en blauw bloed.

Tussen die twee zweeft Frederic in als de lamlendige nietsnut met wie een wereld ten einde komt. Een nieuwe tijd klopt aan de deur, politiek belichaamd door de republiek die in 1931 wordt uitgeroepen, tot ontzetting van de vermolmde en bigotte geslachten die verkruimelen onder hun eigen overtollige gewicht. Dat die republiek enkele jaren later zou worden opgerold in een wrede burgeroorlog en een langdurige dictatuur kon Sagarra niet weten.

Wel heeft hij beide meegemaakt. Sagarra stierf pas in 1961, maar na Privéleven zou hij nooit meer een roman schrijven. Niet uit onmacht of principe, want met het theaterwerk waarmee hij zijn grootste successen behaalde bleef hij doorgaan tot aan zijn dood. Romans – hij schreef er in totaal drie – waren (ook financieel) voor hem maar bijzaak naast zijn toneelstukken, poëzie en vertaalwerk (van o.a. Shakespeare, Dante en Molière.)

Toch is de hernieuwde aandacht voor Privéleven volledig verdiend. Sagarra betoont zich daarin een meeslepend moralist, in de cynische betekenis van dat woord, en een groot psycholoog, zonder veel fiducie in de stralende toekomst die de modernisering van Spanje leek te beloven. Want hoe vrijgevochten en geëmancipeerd hij Maria Lluïsa ook maakt, uiteindelijk laat hij ook haar ten onder gaan in een melancholie waaruit zij zich alleen nog door een conventioneel huwelijk weet te redden. Minder dan een ten langen leste doorbrekend conservatisme spreekt daaruit een ontgoochelde scepsis jegens té hoog gespannen verwachtingen – waarin Sagarra enkele jaren later bitter gelijk zou krijgen.

Privéleven vormt in zekere zin het antwoord op de sociaal-realistische roman Goudkoorts van Narcís Oller uit 1890-92, die een paar jaar geleden in het Nederlands werd vertaald. Die roman speelde in het Barcelona van rond 1880, toen de nieuwe economie van industrialisatie en beurswaanzin de hele samenleving begon te veranderen. In Privéleven krijgt die ontwikkeling, vijftig jaar later, haar beslag. Ook literair is het verhaal gerijpt. Terwijl Oller nog grotendeels schrijft als een 19de-eeuwse feuilletonist, weet Sagarra zijn verhaal een vloeiende eenheid te geven. Zijn woorden zijn trefzeker, zijn personages worden nergens karikaturaal en elke scène draagt bij aan de ontluisterende schets van het geheel. Het hoogtepunt van zijn wrange dramatiek bereikt hij in de weergaloze schets van de amorele Guillem, broer van Frederic, die zich uit louter lamlendigheid verkoopt als gigolo en zich bij toeval ontwikkelt tot meesterchanteur.

Wanneer Guillem zijn slachtoffer de dood heeft ingedreven, zal hij ten slotte diens schatrijke weduwe huwen. Hij is de enige in het hele geslacht Lloberala die het er goed zal afbrengen – alsof Sagarra zijn lezers alle hoop wil ontnemen dat er in de moderne tijd of literatuur zoiets als poëtische gerechtigheid kan bestaan.