Veel gebaar en weinig woorden

Khalid Boudou: Alles of niets. Lebowski, 256 blz. € 13,95

Khalid Boudou schrijft volle en toch luchtige boeken over kleine krabbelaars die overleven in de kieren van het gewone leven. Zijn schelmen staan de ene keer in de ranzige keuken van een wegrestaurant om de andere keer met pizza’s door de stad te jakkeren.

In Alles of niets exploreert Boudou de schimmige wereld van het pokerspel. Een wereld waarin ‘vissen’ ofwel slechte spelers worden opgegeten door ‘haaien’, topspelers met namen als Haagselepepaar en Tsunamifucker. Waarin altijd wordt gespeeld om grof geld, of het nu in een truckerscafé is of in een crimineel speelhol.

De 17-jarige Melle is een nerd, die op internet een passie voor pokeren ontwikkelt. Zijn oom Walter, die tijdens een vakantie op hem past, neemt hem mee op reis voor potjes aan echte pokertafels. Na enkele tegenvallers valt oom Walter in handen van een gevaarlijke schuldeiser en Melle moet op zoek naar geld. Melle doet dat met behulp van Cecilia, het gangsterliefje van de schuldeiser.

De schelmenroman heeft dan al de trekken van een thriller gekregen. Boudou toont zich daarbij onveranderlijk de schrijver van het grote gebaar. Personages worden in een paar woorden neergezet, veelal met etnische stereotypen; een Marokkaanse speler heet ‘Mocrodwerg’. De schrijver kijkt niet op een achtervolging, ontvoering of moord meer of minder.

Maar grote gebaren vereisen precisie en die ontbreekt in Alles of niets. Boudou hanteert steeds hetzelfde hoge verteltempo, waardoor de spanning wegvloeit voordat die goed en wel is opgebouwd. Cruciale scènes missen daardoor suspense. De tweede helft van het boek verzandt ook doordat Boudou geen kaas heeft gegeten van het construeren van een plot, een must voor een thriller. Er wordt veel gesuggereerd, zoals dubbelspel van Cecilia, maar niets uitgewerkt.

Boudous manier van vertellen is een lange hyperbool. De personages zijn voortdurend opgewonden (en willen dat ook weten. ‘Opgefokt rende ik het dijkje op’, vertelt Melle: ‘Fok! Fok! Ik moet uit die fokking roes komen [...] Het is fokking klaar!’) Natuurlijk, Melle is een opstandige adolescent, die over de ambities van zijn moeder misschien wel hoort te zeggen: ‘Eerlijk en duurzaam, me reet.’ Maar oom Walter is al even grofgebekt als hij praat over zijn vriendin: ‘ ’t Is een jong ding van vijfentwintig met tieten als kokosnoten.’

Oom Walter is een typisch Boudou-personage: onsmakelijk en ordinair, met ‘een litteken op zijn vette reet.’ Zo afstotelijk dat het je als lezer niets kan schelen dat hij wordt ontvoerd, hoewel dit een belangrijk motief in het boek is. Hij is de verpersoonlijking van de liefdeloze omgang van Boudou met zijn personages. Een uitzondering is Cecilia, die zowaar een complexe persoonlijkheid meekreeg. Misschien is ze onbetrouwbaar, maar ze is beschaafd en op haar manier aardig. De omgang van Melle en Cecilia is het beste stuk van het boek, omdat daarin verschillende persoonlijkheden met elkaar botsen. Een oase van rust in een dodelijk vermoeiend boek.