'Us Mem' ging vreemd en de melkgift steeg met sprongen

Bert Theunissen: De koe. Het verhaal van het Nederlandse melkvee 1900-2000. Bert Bakker, 191 blz. €19,95

Ruim dertig jaar geleden begonnen de koeien te veranderen. De relatief kleine, Fries-Hollandse ‘platte’ koe – je kon een dienblad op haar rug zetten – maakte geleidelijk plaats voor de grote, ‘scherpe’ Amerikaanse Holsteiner. Graatmagere beesten die vooral heel veel melk produceren. Dertig liter per dag, twaalfduizend liter per jaar is geen uitzondering. ‘Een stille revolutie’ noemt Bert Theunissen het in zijn boek De koe. Het verhaal van het Nederlandse melkvee 1900-2000, waarin hij beschrijft hoe veehouders en wetenschappers decennialang strijd leverden over de ideale melkkoe.

Het verhaal begint eind 19de eeuw met een groot, graatmager beest op de markt in Leeuwarden dat veel melk geeft. De Fries-Hollandse koe van toen vertoont grote gelijkenis met de Amerikaanse Holsteiner van nu.

Niet verwonderlijk want aan de basis van de Holsteiner staat de Nederlandse melkkoe, die indertijd op grote schaal naar Amerika werd geëxporteerd. Maar waar de Amerikaanse veefokkers verder fokten op melkproductie, kozen hun Nederlandse collega’s in het begin van de 20ste eeuw voor een meer ‘robuuste’, kleinere koe, met wat meer vlees op de botten.

Theunissen geeft een plausibele verklaring voor die koersverandering. Of eigenlijk twee verklaringen.

De eerste is dat boeren vreesden dat hun hoogproductieve koeien gevoelig waren voor rundertuberculose en zochten naar een koe die er in ieder geval wat minder tuberculeus uitzag.

De tweede verklaring is dat de Fries-Hollandse koeien het niet erg goed deden op de armere gronden in het zuiden en oosten van Nederland die begin 20ste eeuw in cultuur werden gebracht. Er was behoefte aan een koe die ook met minder mals gras en minder verzorging nog redelijk wat melk gaf. En bij de slacht ook nog wat opleverde.

De koersverandering leidde in de loop van de daaropvolgende halve eeuw tot een ideaaltype van de Fries-Hollandse koe, dat in 1954 werd vastgelegd in het standbeeld van ‘Us Mem’ in Leeuwarden. Daarin zijn de typische kenmerken van het ras vastgelegd: klein van stuk, slank beenwerk, een adellijke kop, elegante belijning en vlees op de botten.

In de tijd dat Us Mem werd onthuld, openden Wageningse en Utrechtse wetenschappers het vuur op de Nederlandse veefokkers. Door in de afgelopen halve eeuw de nadruk te leggen op uiterlijke kenmerken, waren ze hun doel voorbij geschoten. Nederlandse koeien die ooit beroemd waren om hun grote melkproductie, lieten het op dat punt afweten tegenover de buitenlandse concurrentie. Bovendien dreigden de koeien zo klein te worden dat ze op hun volle uiers trapten en zichzelf daardoor verwondden. De wetenschappers pleitten voor een meer rationele en minder ‘artistieke’ aanpak in de fokkerij, die steunde op feitelijke gegevens over de melkgift van de dochters van een bepaalde stier.

De wetenschappelijke inzichten werden niet zonder slag of stoot overgenomen door de melkveehouders. Niet omdat ze zo ‘achterlijk’ waren, maar omdat het Fries-Hollandse koetje stond voor een bepaalde bedrijfscultuur van netjes boeren.

Daar hoorde een koe bij die bedrijfszeker was. Misschien wel wat minder melk, maar ook weinig of geen krachtvoer en minder gevoelig voor ziekten zoals uierontsteking en klauwproblemen.

Pas in de jaren zeventig kregen de wetenschappers voet aan de grond in de veefokkerij. Niet eens zozeer door hun argumenten als wel vanwege de Brusselse landbouwpolitiek. Die dwong de melkveehouders tot het drastisch verhogen van de productiviteit, onder meer door de melkgift per koe op te schroeven.

Hoewel de stamboekorganisaties zich lang verzetten, importeerden steeds meer, vooral jonge boeren Amerikaans sperma. ‘Us Mem’ ging vreemd, maar daardoor steeg de gemiddelde melkgift van vijfduizend naar achtduizend liter per jaar met uitschieters naar twaalfduizend liter. Ook het uiterlijk veranderde: in 2000 was de Fries-Hollandse koe weer even ‘scherp’ als haar bet-bet-bet-overgrootmoeder uit 1900.

Het afgelopen decennium echter sloeg de twijfel toe. De keerzijde van de hoge melkproductie is dat ‘turbokoeien’ moeilijk drachtig worden en vaak last hebben van uierontsteking. Veel zijn versleten na vijf, zes jaar en rijp voor het slachthuis. De reactie van de melkveehouders kon niet uitblijven. Veel boeren zijn de laatste jaren begonnen om hun veestapel te kruisen met meer robuuste stieren, zoals de Franse Montbeliarde. Daardoor daalt de melkproductie misschien wel een beetje, maar de koe gaat langer mee. Goed voor het welzijn van de koe en de portemonnee van de boer.