Tony Judts testament: behoud de sociaal-democratie

Tony Judt: Ill Fares the Land. A Treatise on Our Present Discontent. Penguin, 256 blz. € 27,-

In oktober 2009 hield de Britse historicus Tony Judt een lezing in New York over de verworvenheden van de sociaal-democratie. Dat is om meer dan één reden bijzonder. Judt, auteur van onder meer het vuistdikke meesterwerk Postwar (de naoorlogse geschiedenis van Europa) en van talloze essays en polemieken in de New York Review of Books (NYRB), is doodziek. Hij schreef daarover begin dit jaar in de NYRB enkele aangrijpende stukken.

Judt lijdt aan de ziekte van Lou Gehrig, een langzame afbraak van het neuronensysteem dat de menselijke motoriek bestuurt. Hij is inmiddels bijna totaal verlamd, alleen zijn hoofd, hersens en rechterhand doen het nog.

Vooral de nachten zijn hels als je niet zelfstandig kunt bewegen. ‘Daar lig ik dan, vastgesnoerd, bijziend en bewegingloos als een hedendaagse mummie, alleen in mijn lichaamsgevangenis, de rest van de nacht overgeleverd aan mijn gedachten.’ De enige manier om dit te verdragen is door eindeloos in zijn geheugen te graven.

Dat hij in oktober 2009 nog een lezing heeft gehouden is dus al bijzonder. Dat uit deze lezing nog een heel boek is voortgekomen, gedicteerd vanaf zijn ziekbed, is een godswonder. Dat het boek blaakt van ongebroken idealisme grenst aan het onwaarschijnlijke.

Ill Fares the Land is een oproep aan de jeugd om zich te bekeren tot de sociaal-democratie. De titel is een citaat uit een 18de-eeuws gedicht van Oliver Goldsmith (‘Wee het land, ten prooi aan kwade haast/ waar rijkdom zich ophoopt, en mensen te gronde gaan’). Het compacte boek is Judts reactie op de kredietcrisis en de ontsporing van het kapitalisme. Het is een pleidooi voor de verzorgingsstaat in een wereld waar hebzucht en individualisme hoogtij vieren.

Het is niet verwonderlijk dat Judt, die Brit is maar een groot deel van zijn leven in de Verenigde Staten woont, zijn pijlen vooral richt op zijn twee vaderlanden. Zij zijn immers het zwaarst getroffen door de mondiale crisis. De crisis is in de Verenigde Staten begonnen. En ook het uitgeklede Groot-Brittannië, waar de hoge groeicijfers van de economie menige neoliberaal de laatste jaren deden watertanden, valt voor hem nu definitief door de mand.

Je moet lef hebben om in de VS te pleiten voor de sociaal-democratie. Voor Amerikanen is sociaal-democratie immers synoniem met ‘socialisme’ en dat is in Amerika, tot Judts ergernis, nog steeds een scheldwoord. Hij citeert een 12-jarig (!) Amerikaans jongetje dat hem vraagt hoe het toch komt dat het net lijkt alsof een baksteen ieder gesprek vermorzelt als de term socialisme valt. Judts boek is een antwoord aan dat jongetje.

We kunnen het socialisme natuurlijk op de vuilnishoop van de geschiedenis gooien, getekend als het is door een eeuw van dictatuur, zegt Judt. Maar socialisme is niet hetzelfde als sociaal-democratie. Leer eens wat van Europa, waar de verzorgingsstaat de ergste klappen van de crisis opvangt en kiest voor de zwakkeren in de samenleving.

Na de val van de Muur raakte de sociaal-democratie haar richting kwijt. Maar de kredietcrisis toont aan dat de typisch Europese ideologie van de verzorgingsstaat nog wel degelijk bestaansrecht heeft. Instemmend citeert Judt daarbij de conservatief Edmund Burke, die de maatschappij omschreef als ‘niet alleen een partnerschap van de nu levenden, maar van de levenden, de doden en hen die nog geboren moeten worden.’ Links, zegt Judt, heeft deze wijze uitspraak te lang genegeerd.

Na het einde van de Koude Oorlog trok de sociaal-democratie zich ontredderd terug binnen de grenzen van de natiestaat. Judt spreekt van twee ‘verloren decennia.’ Fantasieën over welvaart en persoonlijke verrijking verdreven vraagstukken als sociale rechtvaardigheid en politieke bevrijding. Nu is de tijd aangebroken om de blik weer naar buiten te keren en opnieuw ethische uitdagingen en humanitaire idealen te omarmen.

Judts testament doet weldadig aan. In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië kan het een rol spelen bij de verwerking van de trauma’s van de kredietcrisis. In Europa zal het boek op meer scepsis stuiten. Het neoliberalisme mag ook hier een gevoelige nederlaag hebben geleden, de economische malaise zet de Europese Unie, met al haar door Judt geprezen idealisme, zwaar onder druk.

Tijdens de postcommunistische hoogtijjaren leek het Europese idealisme zijn aantrekkingskracht verloren te hebben – het was immers ieder voor zich. Na de ontnuchtering blijkt het verdraaid moeilijk om opnieuw solidariteit op te brengen voor landen die in de ogen van de founding fathers van de EU misbruik hebben gemaakt van onze goedgelovigheid. Zie Griekenland.

De verzorgingsstaat, in al haar Europese verschijningsvormen, krijgt het de komende jaren zwaar te verduren. Niet alleen door de gevolgen van de mondiale crisis, maar ook door de verschuiving van de machtsbalans naar Azië, dat minder getroffen lijkt dan Amerika en Europa.

In Nederland is de verzorgingsstaat de afgelopen twintig jaar betrekkelijk succesvol hervormd. Dat verklaart waarom de werkloosheid hier ondanks de crisis nog steeds een van de laagste in Europa is. Of het systeem een nieuwe ronde zware bezuinigingen kan doorstaan moet nog blijken.

Judt blijft erin geloven. Hij heeft natuurlijk gelijk. Een alternatief dient zich voorlopig niet aan.

Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid, vertaling Wybrand Scheffer, is verschenen bij Contact, 239 blz. € 19,95