Seks, leugens en dagboeken

‘Mosterdgate’ is de affaire rondom het verzonnen verhaal van Maria Mosterd al genoemd. Maar wat is de rol van de media geweest? En nog pregnanter: wat is de rol van haar uitgever?

Hendrik Jan Korterink: Echte mannen eten wél kaas. Het ware verhaal van Maria en haar ‘loverboy’. Nieuw Amsterdam, 224 blz. € 14,95

Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink rook onraad toen een vaste bezoeker van zijn website hem attendeerde op iets merkwaardigs. Waarom dienden bestsellerschrijfster Maria Mosterd (Echte mannen eten geen kaas) en moeder Lucie (Ik stond laatst voor een poppenkraam) wél een schadeclaim van 73 duizend euro in bij de school van Maria, omdat die moeder niet op de hoogte zou hebben gebracht van de overmatige absentie van haar dochter, maar deden ze geen aangifte tegen de ‘loverboy’ die Maria vier jaar lang in zijn greep hield? Daar kwam bij dat Maria in verschillende programma’s onwaarschijnlijke dingen beweerde. Om er twee te noemen: ze verdiende ‘een paar duizend euro’s’ op een dag en zowel politieagenten als andere hoogwaardigheidsbekleders zouden betrokken zijn bij de misdrijven. In 2009 verloor Lucie Mosterd de rechtszaak tegen de school van Maria omdat uit absentielijsten bleek dat Maria nauwelijks had gespijbeld. Korterink ging vervolgens verder op onderzoek uit. Hij spoorde Manou op, de vermeende pooier van Maria, sprak met schoolvriendinnen van Maria en haar vader in een poging de waarheid te achterhalen.

In zijn boek Echte mannen eten wél kaas laat Korterink overtuigend zien dat veel zaken in het boek van Maria niet kloppen. Ze wordt niet op haar twaalfde tegen haar zin in gedrogeerd en ontmaagd door Manou, sterker nog, ze heeft nog nooit seks met haar ‘loverboy’ gehad. Dat ze door hem tot prostitutie werd gedwongen, lijkt al even onwaarschijnlijk. Bij een vermeende groepsverkrachting was Manou – anders dan Maria beweert – niet eens aanwezig; twee vriendinnen van Maria, Nikki en Bernice, vertellen dat Mosterd zelden tot nooit spijbelde en wel vaker iets verzint. Korterink vergelijkt haar boek met de ‘waargebeurde’ verhalen van onder anderen Maria Monk (een non die beweerde seksueel misbruikt te zijn in een klooster), Norma Khouri (Verboden liefde) en Jolanda uit Epe. Allen eigenden zich ten onrechte leed toe, haalden de (wereld)pers en werden een icoon van een bepaalde misstand. Volgens Korterink past Mosterds boek in de traditie van ‘geheel of deels verzonnen verhalen die als waarheid worden gepresenteerd’. Het zijn overigens niet vooral vrouwen die dat doen, zoals hij suggereert. De Amerikaan James Frey etaleerde zijn drugs- en drankverslaving, In duizend stukjes, in vrijwel elke talkshow. Nu staat hij bekend als ‘the man who conned Oprah’. Zijn boek was niet compleet gelogen, maar hij had wel flink overdreven. Na lezing van Korterinks boek is de lezer beslist overtuigd dat het boek van Mosterd niet klopt, maar wat er nu wél van waar is en wat niet, blijft onduidelijk. Heeft ze álles bij elkaar gelogen of heeft ze schromelijk overdreven, en zo ja, wat?

Korterinks boek is helaas te rommelig van opzet om daar zicht op te krijgen. Door de thematische opzet is het vaak een onoverzichtelijke chronologische brij van data; Manou komt al aan het woord voordat hij is opgespoord, feiten en feitjes worden niet gerangschikt, zodat kleine haast onbenullige correcties op Maria’s verhaal (het regende niet op die dag, de regen heeft Maria verzonnen, aldus Manou) als ook de titel (Manou blijkt wel van kaas te houden) enigszins potsierlijk overkomen. Het onderzoek van Korterink wordt daarbij soms wel erg ruw opgelepeld aan de lezer, zoals dagboekfragmenten van een van de beste vriendinnen van Maria, Bernice, die integraal worden afgedrukt, zonder dat het belang voor de lezer duidelijk is, noch waarom dit dagboek ‘waarder’ zou zijn dan Maria’s verslag. Mogelijk heeft de journalist niet in de valkuil van het al te meeslepend vertellen willen stappen, om niet beschuldigd te worden van meeliften op Maria’s succes. In die zin valt het te prijzen dat hij zijn ‘waarheid’ niet etaleert door nu in alle talkshows te gaan zitten waar hij zelf zo’n kritiek op heeft – maar zo weinig meeslepend had het ook weer niet gehoeven.

Er blijft nog een vraag liggen. Als Maria’s boek (deels) verzonnen is, en zij zich niet baseert op de waarheid, waarop baseert zij zich dan wel? De Vries en Korterink onderzoeken het ‘waarheidsgehalte’ door feiten te checken. Maar wie het ‘fictieve’ gehalte onderzoekt door een grondige intertekstuele analyse van Mosterds boek komt ook al verder. Opmerkingen van onder anderen Manou en Peter R. de Vries dat ze bepaalde sjablonen herkennen uit films geven daartoe aanleiding. Maria laat zich, mijns inziens, vooral inspireren door twee

Vervolg op pagina 2

Berichten uit het rijk der fabelen

genres: de Amerikaanse (gangster)film en voorlichtingsliteratuur over de werkwijzen van loverboys. Maria verwijst daar zelf in haar boek ook een paar keer naar: ‘Het was een straat met alleen maar flats, het deed me denken aan de buurten in Amerika die je ook altijd in van die gangsterfilms ziet’. Ze vraagt aan haar docent of die weet ‘hoe het voelt om elke dag in een wereld te leven die je normaal alleen op tv ziet, waarvan je denkt dat je daar nooit in terecht zou kunnen komen?’ Later: ‘Ik voelde me opgejaagd, alsof we in een maffiafilm speelden’, haar moeder antwoordt: ‘Het is ook net een film, alleen kunnen we deze niet stopzetten’. Manou merkt in Korterinks boek op dat Maria zich waarschijnlijk baseert op ‘een of andere film’, als ze beschrijft hoe hij een emmer met daarin een rat op de buik van een jongen zou hebben gezet die hem nog geld schuldig was. Die film zou Swordfish kunnen zijn, waarin een rat in een emmer wordt ingezet als terreurtechniek. Mogelijk is Maria (of een redacteur) zich bewust geweest van het (al te) fictieve karakter van deze scène – er zijn nooit lijken gemeld.

Maria laat in haar boek Manou zelfs zeggen: ‘Ik heb dit ooit in een film gezien en ik wil even kijken of het echt werkt of niet’. Het werkt, in die zin dat de lezer vol spanning de bladzijde omslaat. Mosterd is in het boek overigens voortdurend beneveld door de drugs, waardoor haar geheugen niet zo goed meer werkt. In Mosterds boek staat ook een nauwkeurig zevenstappenplan opgenomen waarmee Manou haar instrueert voor hoe zij te werk moet gaan als lovergirl. In vrijwel elke voorlichting staat zo’n zevenstappenplan, maar dan voor de loverboy.

Blijft over de vraag naar de grote aantrekkingskracht van het verhaal van Mosterd. In vrijwel alle mediaoptredens werd Maria door blanke mannen van middelbare leeftijd ondervraagd. Was de fantasie eerder doorgeprikt als een paar Antillianen haar aan de tand hadden mogen voelen? Misschien, want door sommige bloggers van Turkse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst werd al veel eerder aan het waarheidsgehalte getwijfeld (zie bijv. www.oczanakyol.nl).

Beantwoordt Maria’s verhaal aan een blanke slachtofferfantasie waarin een jong onschuldig meisje in handen valt van een groep criminele Antillianen die de ene na de andere groepsverkrachting op hun geweten hebben?

De flaptekst van Echte mannen eten geen kaas is met de kennis van Korterinks boek ook opmerkelijk. Er staat dat Maria ‘meer spanning’ in haar leven wil en zich afvraagt hoe het zou zijn als een van de stoere jongens die bij haar schoolplein rondhangt haar vriendje zou zijn. ‘Maria’s fantasie lijkt werkelijkheid te worden’; ‘Zes jaar later schrijft Maria dit bloedstollende verslag van haar jaren met Manou’. Daar zit geen gelogen woord bij. Uitgever Chris ten Kate zegt dat hij het boek nooit als ‘waarheid’ heeft gepresenteerd maar als ‘authentiek verslag’. In nrc.next sprak hij van ‘haar subjectieve waarheid’ en op de website van de uitgeverij spreekt hij nu van een ‘egodocument’. Mijns inziens zijn de gebeurtenissen en de aantijgingen van Mosterd aan het adres van een ander (moord, pooierschap, verkrachting, een criminele organisatie leiden) te ernstig om zulke retorische trucs in te zetten. Frey overdreef het leed dat hém is overkomen; Mosterd beschuldigt anderen van ernstige misdrijven.

En dan nog iets. Iedere bezoeker van Maria Mosterds website kan constateren dat ze niet in staat is een normale Nederlandse foutloze zin te schrijven. Een redacteur (of meerdere) – hetzij op de uitgeverij, hetzij op het Hoenderloo-complex waar ze haar verslag als therapie optekenende – moet volop bezig zijn geweest met het verbeteren en publicabel maken van de tekst. Hoe is dat proces gegaan? Het Hoenderloo-complex zou moeten uitleggen hoe een jonge vrouw in behandeling is gestimuleerd om met haar manuscript naar een uitgever te gaan in plaats van naar de politie (als dit zo is gegaan). De uitgeverij zou er goed aan doen openheid van zaken te geven en zich niet te verschuilen achter de term ‘subjectieve waarheid’. Heeft een redacteur of een therapeut niet één keer even met zijn ogen geknipperd tijdens de rattenscène?

In De wereld draait door liet Ten Kate weten dat het onmogelijk is voor een uitgever om alle verhalen die als ‘waargebeurd’ worden aangeboden te checken. Hij heeft een punt; een slachtofferverhaal als dat van Waris Dirie is ook in boekvorm uitgegeven zonder dat de uitgever de volledige waarheid kon kennen. Maar dat boek ging wel vergezeld van de ondertitel ‘mijn woestijn’.

De lezers van James Frey eisten hun geld terug van de uitgever wegens lezersbedrog. (Deels) gelogen of niet, het zou mooi zijn als de uitgever samen met moeder en dochter Mosterd een royale geste maakte en enkele van de tonnen die verdiend zijn met de boeken schonk aan stichtingen die zich inzetten om jonge meiden te beschermen tegen seksueel geweld.