Rijke inventarisatie van pleisterkalk bij bouw en decoratie

Eloy Koldeweij (red): Stuc. Kunst en techniek. Rijksd. voor het Cult. Erfgoed, Waanders, 536 blz. € 34,95

Een foto van zo’n driekwart eeuw geleden illustreert de ernst van de zaak. Vier mannen met wit bespikkelde kleding, handen en gezichten zijn bezig met het ‘trekken’ van een stucwerklijst aan het plafond van een monumentaal pand. De jongste, gekleed in een zwarte broek, licht jasje en pet, is zo te zien de dommekracht. Over zijn schouder houdt hij een touw waarmee hij een rechthoekige plank voorttrekt. Boven- en zijkant daarvan schuren langs het plafond en de wand; in de bovenhoek is echter een uitsparing gemaakt waardoor een stuclijst op het plafond strak wordt gemodelleerd. De jongeman kijkt ons aan, anders dan de drie anderen. Eensgezind houden zij, ieder met één hand, de plank rechtop om hem tijdens het trekken in de juiste verticale positie te houden. Dat zijn de echte vakmannen, dat zie je meteen.

Het lijvige boek Stuc beeldt nogal wat stucwerkers af. Vaak zijn ze op de steiger aan het werk; één is er bij die – troffel in de hand en pakje shag in de kontzak – staat op metalen stelten die aan zijn onderbenen zijn vastgemaakt. Maar zelden zie je, zoals op de foto van het lijstentrekkende kwartet, iets van de manier waarop plastische stucdecoraties eigenlijk worden gemaakt.

Wie een zwak heeft voor de schitterende, uitvoerige stucdecoraties die hier hoogtij vierden in de 17de en 18de eeuw, wordt ook uit de tekst weinig wijzer. Natuurlijk wordt het werk behandeld van kunstenaars als de Vlaming Jan Christian Hansche, vader en zoon Jan en Ignatius van Logteren uit Amsterdam, en ambachtslieden uit Zuid-Duitsland en Italië die in heel Europa en dus ook in Nederland werkzaam waren (behalve in Amsterdam, waar de stucwerkers lid waren van het beeldhouwersgilde dat buitenlanders weerde).

Vanaf omstreeks 1570 werd stuc in de Nederlanden op een decoratieve, plastische manier gebruikt. Motieven werden in de pleisterlaag gestempeld en losse elementen werden in een mal gegoten en op het plafond gelijmd. Maar hoe speelde bijvoorbeeld Jacob Otten Husly het klaar om, zoals in zijn reliëfs aan het plafond van de ovale zaal van Teylers Museum in Haarlem (1780-1782), het pleister zó te modelleren dat het soms decimeters los komt van de ondergrond?

Het geven van antwoord op zulke vragen is duidelijk niet de eerste ambitie van deze bundel studies, die juist een bredere benadering kiest dan alleen het vissen van de krenten uit de stucpap. Met hier en daar wat overlap en een soms iets te achteloos gebruik van vaktermen als ‘vertinlaag’, ‘raaplaag’ en planken die ‘arm geschaafd’ zijn, geeft het boek een prachtig, rijk geïllustreerd overzicht van stuc als bouw- en decoratiemateriaal in Nederland. Daarbij vormt waardering voor de esthetiek niet het eerste criterium; evenmin zijn het in de eerste plaats die zo aantrekkelijke plastische stucdecoraties die centraal staan. Integendeel: van de overblijfselen van gepleisterde, soms beschilderde wandafwerkingen uit de Romeinse tijd, gaat het via middeleeuwse grafkelders en ‘Brabantse wanden’ (muren van gestuukte latten of tenen die ook buiten Brabant zijn gebruikt) naar de grote stucdecoraties van de 18de eeuw. Andere bijdragen gaan over specifiekere onderwerpen, zoals stucwerk als surrogaat voor het veel chiquere marmer, of 19de-eeuwse plafonds van papier-maché, hout of metaal, die juist de suggestie van stucwerk moesten oproepen.

Bijdragen over materiaal, functie en stijl wisselen af met artikelen over problemen van behoud, restauratie en reconstructie. Ondanks de kwetsbaarheid van het materiaal is het opvallend dat veel stucafwerkingen en -decoraties de tand des tijds hebben doorstaan. Toch toont het boek vele muren en plafonds met scheuren, gaten en brokken. Verwarring over terminologie en gebruikte materialen blijkt vaak te hebben geleid tot desastreuze ingrepen. Emblematisch daarvoor is de recente restauratie van de zogenaamde ‘Koepel van Fagel’ bij Paleis Noordeinde, een theekoepel met beschilderd stucgewelf uit 1701. De restauratie was, nog maar 45 jaar na de vorige, noodzakelijk omdat in de jaren 60 scheuren waren gedicht met gipsmortel. Dat heeft heel andere materiaaleigenschappen dan de kalk die oorspronkelijk was gebruikt. Gips is sterker en het zet uit als het droogt, waardoor de oude reparaties snel tot nieuwe beschadigingen leidden.

Stuc biedt een rijke inventarisatie van Nederlandse monumenten waarin stuc is toegepast, nieuwe inzichten in toepassing van het materiaal en en dilemma’s van restauratie. Op concrete technieken en werkwijzen gaat het niet diep in. Maar onder meer door afbeeldingen van vaklui die desnoods gedrieën een plankje rechthouden, breekt het toch een lans voor het doen herleven van het oude ambacht van stucwerker.