Programma gewogen

Het is een goede gewoonte dat het onafhankelijke Centraal Planbureau (CPB) de plannen van politieke partijen doorrekent op effecten voor onder meer koopkracht en werkgelegenheid. Dat heeft het ditmaal in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gedaan en dat is verstandig. Niet alleen de effecten van maatregelen op financieel en sociaal-economisch terrein zijn van belang, maar ook de gevolgen voor bijvoorbeeld milieu en klimaat. De financiële crisis is niet de enige die ertoe doet.

De planbureaus presenteerden gisteren de resultaten van hun analyses die ze op verzoek van negen partijen hebben uitgevoerd. Twee partijen die zich nu wel in de Tweede Kamer vertegenwoordigd weten of voelen, de Partij voor de Dieren en Trots op Nederland, hebben deze exercitie niet aangewild. Dat is jammer, want de conclusies van de bureaus geven de kiezers informatie. Zij kunnen vervolgens zelf uitmaken hoe zwaar zij die willen laten meewegen bij het uitbrengen van hun stem.

Tegelijkertijd is relativering van de bevindingen van CPB en PBL op haar plaats. Het regeerakkoord dat CDA, PvdA en ChristenUnie in 2007 met elkaar sloten was als gevolg van de kredietcrisis snel rijp voor de prullenmand. Hetzelfde gold voor de plannen van alle partijen – en dus ook voor de doorrekening ervan. Zij bevatten nu eenmaal veel tekentafelwijsheid. Niets is zo dodelijk voor prognoses als de realiteit.

De crisis, die de Staat in grote financiële problemen heeft gebracht, is nu maatgevend geweest voor de verkiezingsprogramma’s. Vrijwel alle partijen zijn het erover eens dat forse bezuinigingen op de overheidsuitgaven noodzakelijk zijn, maar ze verschillen van mening over het tempo. Zoals CPB-directeur Teulings gisteren opmerkte, is dat vooral een kwestie van hoe de maatregelen en de pijn die ze veroorzaken over huidige en komende generaties worden verdeeld.

De analyses van de planbureaus brachten grote verschillen tussen de partijen aan het licht – en daarmee bieden ze de kiezers veel duidelijkheid. Partijen kunnen er hun voordeel mee doen, maar zullen ook worden geconfronteerd met de pijnpunten. Het zal voor de PvdA en SP onprettig zijn dat uitgerekend zij relatief slecht scoren bij de groei van de werkgelegenheid in vergelijking met bijvoorbeeld VVD en GroenLinks. Ze kunnen er, anders dan de andere partijen, een verbetering van de koopkracht tegenover stellen.

Voor de VVD moet het teleurstellend zijn dat zij op het punt van de filebestrijding in de analyses slechte resultaten behaalt. En voor SP en PVV is de constatering dat zij toekomstige generaties met grote overheidstekorten opzadelen evenmin een prettige boodschap. Zo kunnen ook CDA, D66, ChristenUnie en SGP plus- en minpunten uit de conclusies van de planbureaus destilleren.

Het is aan de kiezers om te bepalen in hoeverre zij al deze constateringen bij hun gang naar de stembus laten meewegen. In de wetenschap dat er ook echt iets te kiezen valt.