Poppubliek kan tegelijk praten en luisteren

STILTE TIJDENS HET CONCERT! Steeds vaker zie je velletjes papier met deze woorden in de popzaal hangen. Want Nederlanders zouden te veel en te hard converseren tijdens popconcerten. Over het fenomeen – dat velen zien als blijk van Hollandse arrogantie – is veel gediscussieerd de afgelopen tijd. Zeker na het voortijdig vertrek van Tindersticks uit de Effenaar in Eindhoven, in maart. De band hield het na zes nummers voor gezien omdat het publiek door hun muziek heen praatte.

Ik vind de ophef nogal overdreven. Het gesis, de flyers, de A4tjes en het sluiten van de bar tijdens concerten vind ik vooral getuigen van een andere nare Hollandse karaktertrek: bedilzucht. Popmuziek is de meest rebellerende en daarmee meest tolerante kunstvorm – tenminste, dat hoort ze te zijn. De oorsprong van de popmuziek is onconventioneel, tegendraads. Velletjes met voorschriften passen daar niet bij.

Het is ook te makkelijk om de schuld bij het pratende publiek te leggen. De artiest die zich geconfronteerd ziet met een publiek dat meer praat dan luistert, moet zichzelf eens goed achter de oren krabben. Is mijn muziek goed genoeg? Boeit mijn show voldoende? Als elk volk de president krijgt die het verdient, krijgt iedere artiest dan het publiek dat hij verdient?

Ik houd van muziek. Dus als de mensen naast mij de muziek overstemmen, ga ik ergens anders staan – zoals vorige week, bij het optreden van Bonobo in een uitverkochte Melkweg in Amsterdam.

Simon Green, alias Bonobo, is een Britse muzikant/producer/dj, die bekend staat om zijn lome triphopbeats. Maar werden zijn eerste twee platen nog gereduceerd tot muzikaal behang in menige strandtent, met zijn huidige, vierde album slaat hij een interessantere weg in. Op Black Sands paart hij zijn lome beats aan een heus orkestraal en soms zelfs werelds geluid. Violen vloeien samen met sitars.

Op de plaat speelt Bonobo veel instrumenten zelf, tijdens optredens neemt hij muzikanten mee. In de Melkweg betrad hij het podium met een dozijn muzikanten. Zacht en subtiel vulden drum, bas, viool en trompet elkaar aan. Melancholieke klanken meanderenden door de zaal. De muziek was gelaagd, het volume laag.

Het publiek praatte er luidkeels doorheen. Maar was dat iemands schuld? En zo ja, van wie? Was het de schuld van de programmeur, die Bonobo in de zaal Max had gezet, zonder zitplaatsen en met bar, in plaats van in het aanpalende vlakke vloertheater, met tribune en zonder bar? Was het de schuld van Bonobo en muzikanten, wier optreden naar het einde toe saai werd (met uitzondering van zangeres Andreya Triana)? Of lag het aan het publiek, dat duidelijk had gerekend op de oude ‘triphoppende’ Bonobo?

Het maakt me niet veel uit. Maar ik maak me wel druk over flyers met regels en A4tjes met voorschriften. In poppodium W2 in Den Bosch bestaat de Shut Up Club. Je betaalt er geen entree- maar zwijggeld. Het is wellicht ludiek bedoeld, maar ik krijg er de rillingen van.