'Pessimisme was toen nog officieel verboden'

Dankzij de Nobelprijs 2009 krijgt Herta Müllers werk, over wrede dictaturen, bekendheid. Toch is ze niet blij met die prijs, want interviews lijken op verhoren. ‘Ja, mijn vader was alcoholist, en wat gaat u dat aan?’

‘Ik ben zo moe.” Herta Müller zucht. „Al die fotografen, al die journalisten, al die etentjes: ik kan er niet tegen. Had ik de Nobelprijs maar nooit gewonnen. Ik ben geen ster, weet u. Roem past niet bij mij.’’ Met ontzette ogen kijkt ze om zich heen. Haar smalle lichaam verdwijnt haast achter een brede tafel. Spitse vingers proberen een theezakje open te scheuren, maar het lukt niet, haar handen trillen.

Te laat besef ik dat interviews Herta Müller misschien niet alleen afschrikken door de valsheid van de roem maar ook door iets heel anders. Ze lijken op de verhoren waaraan zij in Roemenië werd onderworpen, keer op keer, omdat ze zich tegen Ceausescu’s communistische regime verzette. Intimidaties en doodsbedreigingen hoorden bij het spelletje dat de Securitate, de gevreesde geheime dienst, met haar speelde. Geen wonder dat Herta Müller ondervragers wantrouwt. Elke vraag kan een valstrik zijn, elk antwoord een fatale stap.

De Nobelprijs mag dan een last zijn voor haar, ze kreeg zo ook de kans om haar thema bij een breder publiek onder de aandacht te brengen. Hetzelfde geldt voor haar debuut, Niederungen (1982), dat op de tafel in een Amsterdams hotel ligt. Het verscheen in Boekarest, in gecensureerde vorm. Dit jaar kwam de complete versie uit. De indringende verhalen gaan over een dorp in het Roemenië van de jaren vijftig, een geïsoleerde Duitstalige gemeenschap waar als prelude op Müllers latere werk onverdraagzaamheid, wreedheid en vrees het leven bepalen. „Wat eruit gehaald werd”, zegt de schrijfster, die zelf in zo’n dorp opgroeide, „heb ik er weer in gezet. Heel zwartgallige passages moesten eruit destijds, want pessimisme was officieel verboden. Ik mocht ook niet schrijven dat mijn moeder in een kamp van de Russen had gezeten. Dat werd een kamp ‘ergens in Europa’.”

Müllers moeder sprak weinig over haar jaren in dat Russische strafkamp. „Je mócht er niet over spreken. Omdat Roemenië fout was geweest in de oorlog. Conducator Antonescu had met Hitler geheuld. Maar de Roemeense staat schoof alle schuld op de Duitse minderheid af. De Roemeense staat wilde niet aan zijn foute verleden herinnerd worden en ook niet aan zijn foute omgang met de Duitse minderheid. Onderling spraken overlevenden wél over de kampen. Maar dat deden ze in het geniep. Ze wilden geen aanstoot geven. Nóg eens straf hadden ze niet verdragen.”

We lezen dat de vader drinkt, en niet zo weinig ook. „Ja, mijn vader was alcoholist, maar wat gaat u dat aan?” waarna ze vervolgt: „Ik weet niet of hij door zijn oorlogservaringen is gaan drinken. Mijn vader was SS’er. En een domme jongen van het platteland, die de oorlog als een avontuur beschouwde. Hij heeft nooit schuldgevoelens getoond. Maar ik hoop wel dat hij ze heeft gehad. Ik hoop dat hij toch in het bezit was van een geweten.”

Kleuterschool

Het kleine meisje in Niederungen kreeg thuis regelmatig slaag. Müller haalt er haar schouders over op. „Slaan was normaal. Ik werkte op een kleuterschool. Daar stonden overal stokken. Ík heb ze niet gebruikt.” Ze was een eenzaam kind. „Vooral als ik koeien moest hoeden. Dat was zo’n grote verantwoordelijkheid. In het weidse landschap voelde ik mij verloren.”

Zelf heeft ze geen kinderen. In haar essaybundel Hunger und Seide (1995) schrijft ze over de wanhoop van vrouwen die tegen hun wil een kind verwachtten. Bewogen vertelt ze: „Omdat Ceausescu een psychopaat was die over een groot volk wilde heersen, moest elke vrouw vijf kinderen baren. De pil en abortus waren verboden. Behalve voor de elite, die had eigen klinieken. Duizenden vrouwen zijn door illegale abortus gestorven. Of de abortus lukte niet. Genoeg te eten was er niet voor al die kinderen.”

Armoede, denkt Herta Müller, wordt door dictators expres in stand gehouden. „Het was bij ons net zo’n onderdrukkingswerktuig als de geheime dienst of het leger. Armoede houdt de mensen gevangen. Ze moeten de hele dag in de rij staan voor brood, ze zijn geketend aan het naakte bestaan en hebben geen tijd om na te denken.” Müller vangt die armoede in choquerende details. Uit Hunger und Seide: ‘Toen gingen de eersten met hun blauwrode brokken langs de wachtende mensen naar huis. Een kippenkop, ik zag hem duidelijk naast de duim van een vrouw, ik keek naar haar schoenen bij het lopen. Het roodblauwe ijs begon naast haar stappen in de zon te druipen. Er lag een druppelspoor waar de vrouw gelopen had.’

Hoe kwam de auteur tot zulke observaties?

„Dat”, antwoordt ze met een bitter lachje, „was net zo eenvoudig als het opmerken van een Edammer kaas in Holland. Vlees hadden we niet in de winkels. We hadden alleen maar kipafval. Kippenkoppen werden in brokken ingevroren en dan als vlees verkocht. Thuis moest je het brok ijs met een bijl in stukken hakken. Zo was het dagelijks leven.”

Het fascinerende van Müllers werk is juist dat het het dagelijks leven overstijgt. Of, zoals ze het zelf zegt: „Literatuur móet kunstmatig zijn. Om zoveel mogelijk werkelijkheid in een zin, een personage, een situatie te vangen gebruik ik elke truc. Wat ik schrijf moet mezelf meeslepen, want alleen dan kan het ook de lezer meeslepen. Emotie komt los als de constructie goed is.”

Sommige critici verwijten haar dat ze altijd over het verleden schrijft en nooit over het Duitse heden. Müller, die sinds 1987 in het westen van Duitsland woont, windt zich daarover op. „Als een Duitser steeds weer over de oorlog schrijft of over de jaren daarna of over het wilde jaar 1968, dan is dat nooit een probleem. Maar bij mij eisen ze ineens dat ik over het verenigde Duitsland van nu schrijf. Waarom? Alexander Tisma of Jorge Semprún heeft men nooit verweten dat zij maar over één ding schreven.”

In het communistische Roemenië deed Herta Müller al vroeg dingen die niet mochten. Samen met vrienden las ze verboden boeken, fotografeerde ze wantoestanden en hielp ze dwangarbeiders. Dacht ze nou nooit: ‘Ik zou het makkelijker hebben als ik een béétje met het regime zou meewerken.”

„Een béétje, wat is dat? Dat is toch een glijdende schaal? Waar eindigt collaboratie als je er eenmaal mee bent begonnen? Mijn vader is SS’er geweest, hij heeft zich schuldig gemaakt. Ik wilde mij niet schuldig maken. Ik wilde zonder walging in de spiegel kunnen kijken.” Bovendien: „Toen ik een puber was bespioneerde de Securitate mij al. Nou, dan kon ik net zo goed doorgaan, ik stond toch al op de zwarte lijst.” Principieel is ze altijd gebleven. Zo weigerde ze om bij haar komst naar Duitsland familiehereniging als reden op te geven, al had zij in Duitsland een oom. „Het gíng niet om die oom. Ik heb hem nooit gemogen. Ik wilde erkenning als politiek dissidente. Dat snapten de bureaucraten niet. Het werd een lange strijd.”

Op tafel ligt ook nog Atemschaukel (2009), een bejubelde roman over de gruwelen van de Russische kampen. Gesprekken met de Roemeens-Duitse dichter Oskar Pastior (1927-2006) liggen eraan ten grondslag. Aan het eind van de oorlog werd hij naar de Goelag gedeporteerd, net als Müllers moeder en nog zo’n 175.000 andere Roemeense Duitsers. Vijf jaar slavenarbeid in de kolenmijnen van de Oekraïne overleefde hij. Maar hij leefde niet lang genoeg. In 2006 stief Oskar Pastior en Herta Müller moest het boek alleen schrijven, met aantekeningen van hem erbij. Toen het klaar was wilde de Nederlandse uitgever het werk ‘Hongerengel’ noemen.

„Daar zag ik niets in. Het woord ‘engel’ is zo banaal. Er zijn al veel te veel boeken met ‘engel’ in de titel.”

Loofbomen

Het werd dus Ademschommel, haast net als in het Duits. Een naar Pastior gemodelleerde jongeman creëert de prachtigste woorden om aan de uitputting en de honger het hoofd te bieden. In de plaats van de taal van vroeger komt de taal van een kunstenaar. Maar ondanks zijn zelfbeschermingsstrategieën raakt hij zijn trauma’s nooit meer kwijt. „De tijd in dat kamp”, zegt Müller, „was zijn levensthema. We begonnen er tijdens een reis over te praten. Ik maakte een onaardige opmerking over dennen, over hoe saai die vergeleken met loofbomen zijn. Hij vertelde me toen dat hij met Kerst in dat kamp een den had gemaakt van draad en wol en hoe belangrijk dat voor hem was, zo’n restje beschaving.”

Echte honger heeft Herta Müller nooit gehad, maar de permanente bewaking en de doodsangst kent zij net zo goed als haar hoofdpersoon. En net als hij probeert ook zij steeds een taal voor het onzegbare te vinden. „Ik wantrouw de taal, ze wordt zo vaak misbruikt. Vergadertaal en televisietaal, redenaarstaal en krantentaal: mij stoot het allemaal af. Dat mijn moedertaal ook nog eens een moordenaarstaal is doet me veel pijn. Één ding weet ik wel: míjn Duits doodt niemand. Míjn Duits is humaan.”

Ademschommel, vertaald door Ria van Hengel, verscheen bij De Geus, net als eerder werk van Herta Müller Niederungen (Hanser) en Hunger und Seide (Rowohlt) zijn nog niet vertaald.