Nieuwe wauwelwoorden

Ik weet dat het geen zin heeft, maar ik kan het niet laten. Als er een redelijke aanleiding is, schrijf ik een stukje over onze veranderende taal. Deze keer is het opnieuw de altijd oplettende taalkundige Jan Stroop. In 1997 is hij nationaal bekend geworden met zijn essay over het Poldernederlands waardoor het ABN verdwijnt. (Weten we nog wat ABN betekent? Voor alle zekerheid: Algemeen Beschaafd Nederlands). Poldernederlands werd toen vooral gesproken door geëmancipeerde jonge vrouwen, die van de ei en de ij een ai maakten. De beroemde zangeres Trijntje Oosterhuis was zijn voorbeeld.

Dit najaar verschijnt er opnieuw een boek van hem. Vorige week is hij geïnterviewd door Elsevier. Hij onderscheidt een nieuwe categorie in het Nederlands: die van de wauwelwoorden. Voorbeeld: zeg maar. Je kunt geen Bekende Nederlander aan het woord horen of de zegmaars vliegen je om de oren. Stroop: ‘Waarom doen de mensen dat? Je hebt dan te veel lucht over en die moet eruit, er moet geluid komen.’ En dan zeg je zegmaar, of enzo, of helemaal, of ontzettend. Let op: niets is meer goed, alles is pak ‘m beet helemaal goed; niets leuk maar eigenlijk ontzettend leuk. Toch?

Terwille van de geschiedschrijving: het zegmaar is in deze context ontdekt door Remco Campert, ik denk nog in de vorige eeuw. Jan Mulder en hij hadden op de voorpagina van de Volkskrant beurtelings een columnpje dat ondertekend was met Camu. Boven dat van Campert stond op een dag Zeg maar. Het was me uit het hart gegrepen.

Maar dan komt de nog niet beantwoorde vraag. Er is iemand die dit zegmaar voor het eerst heeft gebruikt, niet als wauwelwoord maar omdat hij een betekenis aanhechtte.

Hoe een uitdrukking, of een wauwelwoord, zich verbreidt – het blijft een raadsel. Tijd voor een wetenschappelijk experiment. Verzin een wauwelwoord. Het moet op natuurlijke wijze in een grote verscheidenheid van zinnen passen, het mag niets betekenen, en de gebruiker moet er een niet nader te omschrijven gemak van ervaren. Dan begint de verspreiding. Daarvoor zijn mensen nodig die vaak in het openbaar spreken: een minister, vrouwen en mannen van het weerbericht, een televisiekomiek. Ik denk aan Maxime Verhagen, Helga van Leur, Paul de Leeuw. Ze verbinden zich om tenminste vijf keer per dag een half jaar dit proefwauwelwoord te gebruiken. Daarna worden de eerste metingen gedaan, op scholen, in voetbalkantines, op gezellige partijtjes. En dan wordt vastgesteld dat dit wauwelwoord wortel heeft geschoten. Een wetenschappelijke triomf.

Vergis je niet. Er zijn ook andere woorden en woordcombinaties die veel worden gebruikt, niet omdat er lucht uit de spreker moet, maar omdat ze in overeenstemming zijn met de tijdgeest. Voorbeeld: maar liefst. Met maar liefst druk je je vaak met verontwaardiging gemengde verbazing uit. Maar liefst dient ook tot een bedekte vorm van opruiïng. Van Dale geeft als synoniem nota bene. Daar rijdt ze nota bene alweer in een nieuwe auto! Er is nog een equivalent: Mosniemagge! Altijd met een uitroepteken. Maarliefst met uitroepteken is het tegendeel van een wauwelwoord: de meest compacte uitdrukking van de universele miskenning plus verontwaardiging. De kortste samenvatting van de tijdgeest.