Kauwgom en Rits

Kinderhersenen werken op een vreemde manier. Het is geen punt om tijdens het spelen een gebaksvorkje te pakken en te roepen: „Dit is het magische zwaard van Toekantoekan, en het kan alle aliens in één klap doodvermoorden!”

Maar geef een kind een huisdier en de taak daar een naam voor te verzinnen, en alle fantasie verdampt op slag. Poezen kunnen plots alleen Kitty of Minoes heten, konijnen moeten het doen met Stamper of Witje en gevlekte cavia’s gaan voortaan door het leven als Vlekkie. Mijn konijn heette na een lang, diepgravend en peinzend overwegen Knabbel. Dat die naam vervolgens voornamelijk zou slaan op wat hij het liefst met mijn vingers wilde doen, kon ik toen nog niet vermoeden.

Toen ik een aantal jaar geleden zelf twee poezen uit het asiel haalde, was nieuwe namen verzinnen niet alleen een leuke bijkomstigheid, maar broodnodig: ze heetten Bolle en Melody. Eindelijk had ik de kans om namen te verzinnen die iets van mijn persoonlijkheid zouden weerspiegelen, die uiting gaven aan mijn liefdes en voorkeuren. Ik had ze bijvoorbeeld Duran en Duran kunnen noemen. „Maar als er dan iets met de een is”, zei ik tegen mijn vriend, „en ik bel jou om dat te vertellen, weet jij niet welke ik bedoel.” Ik vond dit genoeg reden om van het plan af te zien.

Mijn vriendje was inmiddels enthousiast geworden. „Ik stel Kauwgom en Rits voor. Een ode aan gebruiksartikelen uit de twintigste eeuw.” Ik keek bedenkelijk. Dit was eigenlijk precies wat ik wilde. Maar Kauwgom en Rits? Kun je wel net zoveel van een kat houden als hij Kauwgom heet? „Ik vind ze gewoon niet zo Kauwgom en Rits-erig”, zei ik uiteindelijk laf.

Want een kat moet wel bij zijn naam passen. Zoals bij Daan, de kat die we vroeger thuis hadden. De moeder van Daan was een nuffige Pers, die in een vlaag van klassetoerisme een kortstondige affaire had gehad met een bonkige zwarte straatkat. Die combinatie deed Daan uiterlijk veel goed: witgrijs, grote groene ogen en zeer fluffy. (Overigens is niet iedereen daarvan gecharmeerd: ik liep eens achter twee mensen die Daan zagen en de onvergetelijke zin spraken: „Wat een lelijke kat! Hij lijkt wel een sneeuwuil!”)

Eerst heette hij nog Daantje Pluis, maar door zijn weinig pluizige karakter veranderde dat in Daan: kort, krachtig en no-nonsense, passend bij de dolende einzelgänger die hij was. Echter, na een tijd kwamen wij erachter dat hij kat aan huis was bij een ander gezin, waar hij ook een naam had: Bart. Daarna hoorden we van nóg twee adresjes. Bij de een heette hij Husky, bij de ander Mevrouw van Puffelen. In totale verbijstering vroegen wij ons af: zou hij daar uit de kast zijn gekomen? Weldadig spinnend en kopjes theedrinkend met zijn teentje omhoog? Is hij stiekem een Mevrouw van Puffelen?