Hij kwam, zweeg en verloor

De nieuwe roman van Kees van Beijnum gaat over buitenstaanders, futloze, zwijgende kopieermachine-vertegenwoordigers en vaders die zeer vermoeiend overal hun vredesopvatting uitventen.

Kees van Beijnum: Een soort familie. De Bezige Bij, 440 blz. € 24,90

Soms is het beter om te zwijgen, maar soms ook niet. Teun Draaijer, de hoofdpersoon van de nieuwe roman van Kees van Beijnum, is een zwijger. In de openingsscène van Een soort familie beleeft deze vertegenwoordiger in kopieerapparatuur op een mooie middag het volgende: ‘Tien minuten later staat hij weer buiten in het volle licht van zijn succes, met een getekende order inclusief uitgebreid servicecontract op zak.’ Hij rijdt naar zee voor een broodje in de zon, maar ziet daar plotseling zijn echtgenote hand in hand met een andere man. ’s Avonds thuis schopt hij geen scène, maar zwijgt hij en kruipt hij bij zijn vrouw in bed. Een half jaar later is zijn huwelijk voorbij – en zijn ook zijn verkoopresultaten in een duikvlucht beland.

Zo begint Een soort familie als een relatiedrama, verwant aan dat in Van Beijnums vorige roman, In Paradiso. De niet bijster opwindende verwikkelingen rondom Teun, zijn vrouw Tessa, haar minnaar Ed, zoontje Joris, knuffel Beertje, collega-vertegenwoordiger Marloes en de strenge manager Snoek vormen een raamvertelling voor het werkelijke verhaal van de roman: de jeugd van Teun Draaijer in de Wieringermeer, waarbij het vooral gaat om de dood van zijn twee jaar oudere broer Hans.

Met dat verhaal komt een ander thema uit het werk van Van Beijnum (die ooit L’étranger van Albert Camus als zijn ‘beslissende boek’ noemde) de roman binnen – buitenstaanderschap. De familie Draaijer is namelijk ‘import’ in Wieringen en heeft weinig gemeen met de plaatselijke bevolking, die voornamelijk bestaat uit boerse figuren waarvan de ruwe bolster meer in het oog springt dan een eventuele blanke pit. De Draaijers zijn een en al beschaving, of proberen dat te zijn. Ze zijn politiek bewust, lopen zich het vuur uit de sloffen voor de vredesbeweging. Ideologisch laverend tussen de communisten en de christenen in wat ze zelf ‘de beweging’ noemen. Ze gaan folderend door het leven, boterham met kaas en plakjes komkommer rusten in de trommel.

Hun uitzonderlijkheid levert de pubers Teun en Hans een moeilijke positie op tussen hun harde rechtse leeftijdsgenoten, waarbij de oudste (Hans) de ruzies uitvecht en Teun (de zwijger) probeert vooral niet te veel op te vallen. Van Beijnum schetst het vredesmilieu met aandacht en kennis van zaken: de opstelwedstrijden, de spandoeken en de manifestaties, de goedhartigheid en ook de redelijkheid die zo ver is doorgevoerd dat die op den duur alleen nog maar verstikkend werkt.

Het boek bevat zo een paar geslaagde scènes, vooral die waarin Teun met groeiend afgrijzen ziet hoe geforceerd en vergeefs zijn vader bij elke denkbare ontmoeting probeert mensen voor zijn betere wereld te winnen. Het is het soort familie waar een puber op den duur uit wil breken en dat is dan ook wat Teuns broer Hans op zijn vijftiende doet – met fatale gevolgen.

Diens dood is het emotionele zwaartepunt van de roman, waarin ook het portret van de vader de moeite waard is. Het is echter hard werken voor je er aankomt. Want niet alleen moet je de zielloze wederwaardigheden van de volwassen Teun door, ook in het Wieringse verhaal neemt Van Beijnum de tijd: schoolruzies, lekke banden, gemiste penalty’s en een ongeluk met een zaagmachine worden afgewisseld met een ruime bloemlezing uit de clichévoorraad van de puberroman: natuurgenot, verboden kermissen en zelfs de moeder der seksuele initiaties: de aanblik van de borsten van een volwassen vrouw.

Maar de stukjes willen maar geen mozaïek worden, zoals ook het verhaal van de volwassen Teun amper verbonden raakt met de jeugdgeschiedenis. De overeenkomst blijft beperkt tot Teuns zwijgende, conflict mijdende karakter en het feit dat hij later zijn kopieermachines aan de man brengt zoals zijn vader vroeger de vrede uitventte.

Door het even ernstige als futloze realisme van deze roman ga je bovendien op de verkeerde dingen letten. Dan springen tal van slordigheden in het oog. Stilistische, zoals lappen schrijftaal die op de voorbank van een auto worden uitgesproken, maar ook inhoudelijke. Zo vragen Teun en Hans zich in 1989 af wat een meisje van het NAVO-dubbelbesluit vindt. Dat besluit werd echter al tien jaar eerder, in 1979, genomen. Een vergelijkbare onwaarschijnlijkheid zit in de mededeling van een proleet dat hij zijn boot van ‘Arnesen van Ajax’ heeft gekocht. Die speler was op dat moment al acht jaar weg bij die club en jaren actief geweest voor concurrent PSV. Het vooral tegen kernwapens gerichte activisme van de familie Draaijer doet anachronistisch aan: Reagan en Gorbatsjov hadden al eerder hun historische ontwapeningsakkoord gesloten. Vermoedelijk heeft Van Beijnum ergens in het schrijfproces de handeling van de roman een paar jaar naar de toekomst geschoven, zodat het drama zich aan de vooravond van de Val van de Muur zou afspelen.

Tot de overdadige vooruitwijzingen naar de dood van de jonge Hans behoort een scène waarin een haas, opgejaagd door een hond, het wad opvlucht en ten slotte in het zand vast komt te zitten. Het is een van de beelden die het meest bijblijven, maar helaas vooral als verbeelding van het lot van de lezer van Een soort familie – en misschien ook wel van de schrijver.