Het komt nooit meer goed

Duitse theatermakers hebben de jongste crisis van het kapitalisme massaal aangegrepen. Somberen op het jaarlijkse Theatertreffen in Berlijn.

De crisis heeft het Duitse theater bereikt, en hoe. En dan worden hier niet de bezuinigingen bedoeld die ook in Duitsland het culturele leven treffen en waarvan de uitwerking, net als in Nederland, nog in toekomstige begrotingen van steden en bondsstaten verscholen ligt.

Nee, de crisis is een belangrijk, zo niet het hoofdonderwerp in vrijwel alle stukken die de afgelopen weken in het kader van het tiende Theatertreffen in Berlijn, uit de Duitstalige wereld naar de hoofdstad zijn gehaald. Ze zijn het neusje van de zalm van het afgelopen theaterseizoen.

Neem Reisenbutzbach, Einer Dauerkolonie, een project van Christoph Marthaler en Anna Viebrock – inzending van de Wiener Festwochen. Halverwege houden de acteurs een modeshow. Als mannequins lopen zij over een catwalk, met zo’n koket draaitje aan het einde en een uitdagende blik het publiek in. Maar hun kleding is armelijk en in de was gekrompen – verkleurde joggingbroeken.

Het einde van de welvaart is aangebroken. Dat is de boodschap van deze voorstelling. Het krediet is op, en geheel volgens de aanbevelingen heeft iedereen de afgelopen decennia op krediet geleefd. De bankier staat in een hoek van het podium achter een toonbank met het opschrift ‘Wir entwicklen Hilfe’. Maar als er iemand langskomt om nieuw krediet – daar het vorige immers is verdampt in de bankcrisis – zegt hij dat hij de sleutel van de kluis niet meer kan vinden.

De inwoners van de kolonie rest weinig anders dan oude kleren af te dragen, hun intrek te nemen in de garages van wat vroeger hun huizen waren en op de tonen van het oude Bee Gees-nummer Staying alive af en toe een feestje te bouwen. Tenslotte moet je overleven.

‘s Avonds, wanneer de inwoners van de Dauerkolonie eigenlijk te bed zouden moeten gaan, zingen zij nog zachtjes liederen van Monteverdi, Bach, Beethoven, Schubert en Schumann – steeds zachter, totdat de overheid het licht uitdraait. Het is een prachtige voorstelling – de beste die ik op het Theatertreffen gezien heb, maar ook heel deprimerend.

Riesenbutzbach wordt opgevoerd in hangar nummer 5 van het in 2008 stilgelegde Berlijnse vliegveld Tempelhof. Die locatie draagt op zichzelf al bij tot sombere bespiegeling. Het enorme, monumentale complex in nazistijl, waarvoor nog geen nieuwe bestemming is gevonden, staat er doelloos bij – het grootste gebouw ter wereld ten tijde van de oplevering in 1941 (en later als zodanig afgelost door het Pentagon in Washington). Het is in 1945 bij de verovering van Berlijn wonderwel vrijwel ongeschonden gebleven, doordat de commandant tegen Hitlers instructies in weigerde het vliegveld te verdedigen.

Maar op het Theatertreffen maakt de locatie eigenlijk weinig uit: vrijwel zonder uitzondering hebben die de jongste crisis van het kapitalisme als onderwerp – met de perspectieven op armoede, werkeloosheid en ontmoediging die daarbij horen. Want de afloop van de crisis staat voor Duitse theatermakers kennelijk al vast: het komt niet meer goed.

Neem de voorstelling Kleiner Mann – was nun?, aan de reacties te oordelen de populairste voorstelling onder het Duitse publiek op de Theatertreffen. Het is een voorstelling onder regie van de Vlaming Luc Perceval van Müncher Kammerspiele, waar later dit jaar onze landgenoot Johan Simons het roer overneemt. Het stuk, gebaseerd op de gelijknamige roman van Hans Fallada, schildert het bestaan begin jaren dertig van wat in Nederland door Louis Davids „zo’n kleine man met een confectie-pakkie an” werd genoemd. Iemand die in loondienst, eerst in een fabriek en later als verkoper in een warenhuis, genadeloos wordt uitgeknepen – hij moet per week twintig keer zijn loon aan omzet maken, anders vliegt hij de laan uit.

De enscenering oogt uitgesproken somber: de meeste scènes worden in het halfduister gespeeld, met op de achtergrond vage fragmenten uit de film Symphonie einer Grossstadt van Walter Ruttmann uit 1927. De voorstelling ontleent zijn enige charme eigenlijk aan een groot, voor de gelegenheid gebouwd orchestrion, een mechanisch orkest dat midden op het toneel staat en waarvoor Mathis B. Nitschke prachtige muziek heeft geschreven.

De kleine man heeft vrij eenvoudige aspiraties in het leven: wonen met de vrouw van wie hij houdt, en voor haar en hun kindje zorgen. Maar de crisis die in 1929 op Wall Street begon en twee jaar later een eind maakte aan de economische opleving van de Weimar-republiek maakt aan deze bescheiden aspiraties ruw een einde. Ook de politiek biedt geen uitkomst. De kleine man wil zich bij de communisten aansluiten, maar zijn vrouw vindt ‘dat het ons daarvoor nog niet slecht genoeg gaat’. Dus stemmen ze maar nazi.

De voorstelling eindigt heel zielig: de kleine man loopt verloren over straat, geestelijk geheel gebroken kapot gemaakt door... ja door wat eigenlijk? In de voorstelling ontbreekt elke politieke duiding van de crisis of het systeem dat het voortbrengt. De kleine man blijft geloven dat zijn ondergang aan persoonlijk feilen te wijten is.

Dat is een heel verschil met de meeste andere politieke stukken op dit Theatertreffen, zoals het in dit CS vorig jaar al uitvoerig besproken Die Kontrakte des Kaufmanns, een ‘economische komedie’ van Elfriede Jelinek door het Hamburgse Thalia Theater. Of de Duitse enscenering door de Nederlander Johan Simons bij Schauspiel Köln van Kasimir und Karoline – vrij naar Ödön von Horvath – in de ogen van de Duitse kritiek ook al een stuk over hoe het geld het menselijk geluk vermorzelt. In al die voorstellingen wemelt het van de kritische opmerkingen over het kapitalisme, de markt, de banken enz.

Kleiner Mann – was nun? blijft, in politieke termen, een ongevaarlijke zedenschets. Des te opvallender dus dat het in de ogen van het Duitse publiek hier dé triomf van het festival betreft. Aan gebrek aan belangstelling voor politiek in de Duitse samenleving kan het niet liggen. Na de bankencrisis in 2008, die overal in Duitsland tot voorstellingen over de crisis aanleiding heeft gegeven, is de tweede fase van de crisis aangebroken, die van de dreigende failliete staten en de val van de euro. Nu staan alle kranten vol met de klacht dat Duitsland als rijkste land van Europa voor het feilen van andere landen moet opdraaien.

Het Deutsches Theater draagt aan Theatertreffen Diebe van de hedendaagse auteur Dea Loher (1964) bij. Ook dat gaat over de manier waarop de economie het leven van individuen verwoest. Maar het is minder impressionistisch en op een bepaalde manier ook minder pompeus dan de andere. Op een ingenieus draaitoneel met een horizontale as worden korte scènes gespeeld, waar af en toe om kan worden gelachen. Die vormen misschien daardoor een veel effectiever aanklacht tegen de economische verhoudingen. Hangt het misschien samen met het feit dat het Deutsches Theater een van oorsprong Oost-Duits gezelschap is, waar meer ervaring bestaat met het politiseren van theater, dat hier de loodzware nadrukkelijkheid ontbreekt?

Het is trouwens sowieso een opluchting om eens een voorstelling te zien – in het onderhavige geval onder regie van Andreas Kriegenburg – waarin wordt geprobeerd een conventionele toneeltekst over het voetlicht te brengen, in plaats van vage, pas in de regie ontstane stemmingsbeelden, al of niet in combinatie met pamflettistische teksten. Het is ook wel erg veel – acht dagen achtereen theater over de crisis.

Wat zou het overwegende thema op de Theatertreffen volgend jaar worden? Escapisme?