Het gaat niet om smaak, maar inzicht

Hoe zit het met de hedendaagse verwarring omtrent het begrip kunst? Drie schrijvende schilders geven hun visie, stippen het frustrerende nihilisme aan en geven oplossingen. ‘Men moet niet origineel willen zijn.’

Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan: Niet alles is kunst. Aspekt, 310 blz. € 19,95

Wat is kunst? Op die vraag is al veel en lang gekauwd, en wie zich voor kunst interesseert krijgt er steeds opnieuw mee te maken. Aan eerstejaarsstudenten kunstgeschiedenis of kunstacademie wordt de vraag vaak letterlijk gesteld en regelmatige tentoonstellingsbezoekers houden zich er, bewust of onbewust, ook telkens mee bezig.

Een wat agressieve of verontwaardigde variant is: is dát nou kunst? Als de vraag zo wordt gesteld, kun je er donder op zeggen dat hij betrekking heeft op moderne of hedendaagse kunst, en dat die wordt gesteld door iemand die ofwel überhaupt niet van kunst houdt, ofwel alleen van schilderijen die ‘net een foto zijn’ – wat misschien wel op hetzelfde neerkomt. Als zo iemand mij naar aanleiding van een bepaald kunstwerk vraagt of dát nou kunst is, triomfantelijk vaak, alsof de grenzen van de kunst nooit eerder zo scherpzinnig ter discussie werden gesteld, dan beroep ik me altijd op de ruimste definitie die ik bedenken kan. Wordt het werk als kunst gepresenteerd? Wat mij betreft is het dan kunst. Sinds Marcel Duchamp een flessenrek en een urinoir tentoonstelde, is kunst immers alles wat door een kunstenaar als kunst wordt bestempeld. Met deze definitie zijn we mooi van het gesodemieter af.

Zou je denken. Maar het probleem is alleen een stukje opgeschoven. De vraag is nu: is het goede of slechte kunst? Dat mogen we zelf bepalen. U en ik. Misschien zijn we het niet eens, maar het mooie van smaak is dat er – als je daar zin in hebt – over te twisten valt. Je kunt proberen iemand met argumenten op andere gedachten te brengen. Die argumenten verzamel je vooral door veel kunst te zien en te vergelijken. De kunstjournalist doet dat beroepshalve.

‘Schoonheid zit niet in het oog van de beschouwer, maar in het kunstwerk zelf’, schrijft schilder en criticus Diederik Kraaijpoel in zijn bijdrage aan de bundel Niet alles is kunst. ‘De weg daartoe is niet smaak, maar inzicht.’

In het net verschenen boek proberen Kraaijpoel en twee andere schrijvende schilders dan ook op te helderen hoe het zit met de hedendaagse verwarring omtrent het begrip kunst. De verwarring die ertoe leidt dat de schoonmakers van een museum per ongeluk een kunstwerk voor afval aanzien en weggooien. De verwarring die bij het publiek ontstaat als een kunstenaar maandenlang in een afgesloten tent in een Zwolse nieuwbouwwijk werkt aan een kunstwerk dat, als de tent is afgebroken, blijkt te bestaan uit ‘de essentie van het niets’. De verwarring, kortom, die maakt dat alles – zelfs niets – kunst kan zijn, zolang het maar met conceptueel gepraat of geschrijf wordt omgeven.

Leuke luis

Kraaijpoel zet in zijn essay ‘Genieten’ de huidige stand van zaken uiteen. Net als in zijn eerdere boeken – hij is al ruim twintig jaar een leuke luis in de pels van de Nederlandse moderne kunst – doet hij dat op een nuchtere toon en met venijnige formuleringen. (‘Wat we tegenwoordig Land Art noemen, heette vroeger landschaps- of tuinarchitectuur.’)

Willem L. Meijer (1941-2007), bij leven kunstcriticus voor onder meer het Reformatorisch Dagblad, legt vervolgens in een wat neutraler historisch exposé uit hoe het zo gekomen is. Hoe er sinds het begin van de 19de eeuw in elke kunstenaarsgeneratie avant-gardisten opstonden, die zich steeds tegen de kunstopvattingen van hun tijd verzetten door ‘reductie van het artistieke arsenaal’ enerzijds en ‘intensivering van het realiteits- of belevingsgehalte’ anderzijds. Meijer trekt lijnen van David naar Malevitsj en van Goya naar Warhol, en hoewel zijn stuk weinig nieuws bevat, is het een erudiete, verhelderende kunstgeschiedenisles. ‘Sinds de Romantiek waart er een geest van gewelddadigheid door de kunst’, concludeert hij. ‘Geweld en destructie vormen een intrinsiek programmapunt van de moderne beweging.’ Volgens Picasso was een schilderij de som van een aantal verwoestingen. Mondriaan omschreef zijn werk als een reeks destructieve handelingen.

Met het als kunst tentoonstellen van afval of leegte is de moderne beweging inmiddels te ver doorgeschoten, zo stelt Lennaart Allan die, tot besluit van de bundel, de verwarring in de kunst van de filosofische kant belicht. ‘Het postmoderne denken is, als mentaliteit, te beschouwen als een nihilistische, decadente nazaat van het 19de- en 20ste-eeuwse revolutionaire utopisme’, schrijft hij. ‘Langzamerhand begint het besef te groeien hoe destructief het postmodernisme [...] is geweest. Dogmatisch relativisme is de dood van de filosofie en het einde van de cultuur.’

Concepten

‘De moderne kunst lijkt aan haar einde gekomen te zijn’, meent ook Meijer. ‘Wat overheerst is een treurig besef van verlies en een frustrerend gevoel van richtingloosheid.’ Vandaag de dag, stelt hij vast, ‘staan jonge mensen tijdens hun opleiding weerloos tegenover concepten zonder realiteitswaarde, waarvan de bekendste inhoudt dat iets kunst is als je het zo nóémt.’

In de postmoderne tijd onttrekt kunst zich per definitie aan een definitie, en zoals gezegd is het probleem daarmee niet opgelost, maar alleen verschoven. Hoe nu verder? Hoe kunnen hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers weerstand bieden aan het frustrerende nihilisme? Door kennis te nemen van de traditie en daar welbewust aansluiting bij te zoeken, vinden alle drie de auteurs. Met name Kraaijpoel is optimistisch gestemd. ‘De conclusie is: men moet niet origineel willen zijn. Dat komt vanzelf wel. Of niet.’

De beginnende kunstenaar die vooruit wil komen, zal eerst een aanloop moeten nemen. Kraaijpoel adviseert hem een flink stuk terug te lopen, minstens tot aan het begin van de 20ste eeuw. ‘Voorbij Duchamp kan niemand komen. Nuller dan nul is niet mogelijk. Dat geldt evenzeer voor Malevitsj. [...] Wil je gebruik maken van moderne stromingen, dan moet je je niet blindstaren op de eindfase waarin ze doodliepen. Niet „verder” gaan waar Mondriaan ophield’, maar bijvoorbeeld teruggaan naar de landschappen die hij tussen 1905 en 1909 maakte. Daar valt veel van te leren.’

Uiteindelijk geeft geen van drieën een eenduidige definitie van kunst. Maar góéde kunst, daar zijn ze het over eens, is mimetische kunst. Kunst die op de een of andere manier de werkelijkheid representeert, en die daarom verstaanbaar is. Het hoeft geen fotorealisme te zijn en niets geijkt pittoresks, maar er moet ‘a sense of life’ in zitten, zoals de schrijfster Ayn Rand het noemde. ‘Kunst werkt voor een belangrijk deel via ons empathische vermogen’, aldus Allan. Een goed kunstwerk maakt contact, het richt zich direct tot ons en wil begrepen worden. ‘Achter in ons hoofd hebben we het altijd wel geweten: kunst waar een verklaring bij nodig is, is geen goede kunst’, schrijft Kraaijpoel. ‘Een geslaagd werkstuk kan op eigen benen staan.’