De heksenjacht op hoofdluizen

Mark Hoogstad krijgt op de ochtend dat zijn kinderen na de meivakantie terug naar de school zijn, een verontrustend telefoontje van een doortastende mede-ouder

‘Kammen, meneer, héél véél kammen. En vooral: blijven kammen. Ik kan dat niet vaak genoeg herhalen. Met een ijzeren stofkam. Dat is en blijft de beste remedie. Gelooft u me maar. En als ik u nog een tip mag geven: kam een beetje tegendraads, als u begrijpt wat ik bedoel. Dus niet van boven naar beneden, maar precies andersom: van beneden naar boven.” Ik heb een gedreven ‘luizenmoeder’ aan de telefoon.

Het is maandagochtend, tien voor half tien. Ook in Rotterdam-Noord zit de meivakantie erop en zijn de basisscholen weer begonnen. Niet met een vrolijk rondje waar de kinderen één voor één hun vakantiebelevenissen uit de doeken mogen doen. Dat is anno 2010 een achterhaald ritueel. Nee, vandaag de dag worden leerlingen van groep één tot en met acht kort na binnenkomst resoluut bij de haren genomen. Letterlijk. Op zoek naar die vermaledijde pediculus humanus capitis, beter bekend als de hoofdluis. En ja hoor: op menig hoofdje was het weer een dolle boel gebleken. Kennelijk schiepen enkele ouders er een welhaast satanisch genoegen in om alle goedbedoelde raadgevingen van de luizenbrigade in de wind te slaan. Met alle gevolgen van dien. Na ruim een jaar is de plaag nog altijd niet bedwongen. Alle inspanningen (brieven, luizencapes, vermanende woorden) van de schooldirectie en het kleine maar fanatieke legertje vrijwilligers ten spijt. Vandaar dat ze me belt. Het opperhoofd van de ‘luizenmoeders’ kwettert deze ochtend gedecideerd voort. Het is haar ernst, zoveel is duidelijk. Het werkwoord ‘moeten’ klinkt opvallend vaak in haar betoog. Met enige moeite weet ik haar te onderbreken. „Mijn vrouw heeft onze dochters gisteren nog uitgebreid onder de douche gezet en behandeld met een of andere hocuspocusshampoo.” Dat was niet gelogen. Vlak voor Studio Sport had het hele huis zich langzaam maar zeker gevuld met een penetrante lucht, die mij prompt – en niet voor het eerst – de eetlust had ontnomen. Mijn verweer blijkt nogal dunnetjes te zijn, getuige het schampere lachje aan de andere kant van de lijn. „Een eenmalige douche- en wasbeurt is zinloos. U moet de behandeling blijven herhalen”, klinkt het streng. „Luizen zijn steeds vaker resistent voor allerlei middeltjes.” Mijn tegenwerping dat we ons al ruim een jaar schikken naar de wetten van de maakbare samenleving maakt evenmin indruk. Dat we al een klein fortuin hebben uitgegeven aan allerlei middeltjes, laat ik maar achterwege. „Worden mijn dochters nu als paria’s behandeld”, vraag ik nog. Nee, daar is geen sprake van. „Maar we raden u aan dit probleem nu toch echt serieus te gaan nemen.”

Beduusd leg ik de hoorn op de haak. Langzaam dringt het besef door. Mijn vrouw en ik falen hopeloos als ouders. Het roer moet om, een keuze hebben we niet. Aan de anti-jeukpolitie valt immers niet (meer) te ontkomen. Het middel is erger dan de kwaal, gonst het niettemin door mijn hoofd. Maar wie durft dat hardop te zeggen als zelfs de buurvrouw lid blijkt te zijn van de luizenbrigade? Bovendien: de gemeente Rotterdam heeft het ‘kijken achter de voordeur’ tot norm verheven, dus geef die luizenmoeders eens ongelijk.

Luidkeels op het schoolplein verkondigen dat de hoofdluis een volslagen onschuldig insect is, ook al staat het jeukbeestje te boek als een bloedzuigend parasiet? Dat hier sprake is van een door het Landelijk Steunpunt Hoofdluis geïnspireerde heksenjacht? Of dat die potsierlijke anti-luizendag van twee maanden geleden vooral een listig ideetje is geweest van de anti-luizenindustrie? Kansloos. Voor je het weet worden je dochters met de nek aangekeken en bezorg je hen een trauma voor de rest van hun leven. Nederland is pas weer veilig als de hoofdluis voorgoed is geëlimineerd. Zo is het en niet anders!

Vanavond maar weer eens lekker kammen.