De grote rol van de staat in het succes van Azië

Het kapitalistische succes van Azië is nauw verbonden met de rol van de staat – soms zwak, soms almachtig, maar altijd belangrijk.

Azië, deze week. Militairen bestormen in Bangkok barricades die zijn opgeworpen door aanhangers van de in 2006 afgezette premier Thaksin Shinawatra. In buurland Indonesië verkiest Sri Mulyani, de beste minister van Financiën die het land in decennia heeft gehad, zelf een topbaan bij de Wereldbank boven de politieke machinaties in haar eigen land. Weggepest, heet het. De economie mag dan in Zuidoost-Azië de crisis goed hebben doorstaan, politiek en openbaar bestuur blijven de arena van elkaar bestrijdende elites, die zich weinig aantrekken van het algemeen belang.

Azië blijft groeien, maar de politieke ontwikkeling is er ongewis, soms uitgesproken zorgelijk. In China is de staat stevig en zet hij zich schrap tegen prille uitingen van onvrede en ongewenste aspiraties. In Zuidoost-Azië blijft de staat zwak en is hij ten prooi aan felle factiestrijd. Dat is niet onbelangrijk. De staat was in Azië een voornaam vehikel bij het op gang brengen van economische ontwikkeling, in weerwil van neoliberale lezingen van dat proces. Hoe belangrijk die staatsinterventie is geweest, blijkt uit een nieuw, ambitieus boek dat de geschiedenis schetst van de grote Aziatische successen. Maar eerst iets over het nieuws van deze week.

De Thai Thaksin was geen modeldemocraat en heeft zich als premier schuldig gemaakt aan corruptie, maar hij was ook de populairste eerste minister die het land ooit heeft gehad en dankte zijn post aan vrije verkiezingen. Hij bevoordeelde schaamteloos zijn eigen familie, maar zorgde ook voor goedkope gezondheidszorg en toegang tot krediet voor kleine zelfstandigen. Zijn aftreden werd niet afgedwongen door het parlement, maar door het leger. De elites die hem en zijn gelijkgezinde opvolgers aan de kant schoven, hebben geen enkel democratisch mandaat.

De Indonesische president bedankte minister Sri Mulyani gisteren voor de manier waarop ze het land door de jongste crisis heeft geloodst, ook al moest ze daar een dubieuze bank voor redden. Haar grootste verdienste is dat ze de bezem heeft gehaald door het corrupte ministerie van Financiën en een einde maakte aan de praktijk dat belastingplichtigen onderhandelden met een ambtenaar over hun tarief, om het voordeel vervolgens met hem te delen. Onder Sri Mulyani is het aandeel van de belastingen in de overheidsinkomsten verdubbeld. Haar beleid sneed in de inkomsten van de vele belastingmakelaars, groot en klein. Uit ergernis daarover noemde de grootste oppositiepartij haar redding van Bank Century „corruptie”. Dat raakte Mulyani diep. Het aanbod uit Washington kwam dan ook als geroepen.

Deze berichten uit Zuidoost-Azië zijn niet de enige politieke wanklanken in de positieve economische berichten over het continent. Nog maar kort geleden kwam ICT-reus Google in aanvaring met de Chinese regering. Inzet was de vrije toegang tot het mondiale informatieaanbod. Dat geldt onder economen als een voorwaarde voor ontwikkeling, maar de Chinese leiding ziet ongecontroleerde informatiestromen als een verzwakking van haar supervisie over de handel en wandel van burgers.

Succesverhalen zonder dissonanten zijn ongeloofwaardig. Toch is er opvallend weinig ruimte voor nuance in het westerse Aziëbeeld. Het is hollen of stilstaan – in de woorden van de Britse historicus Perry Anderson de ene keer Asiamania, dan weer Asiaphobia.

Het westerse Aziëbeeld is razendsnel gekanteld. In 1968 schreef de Zweedse econoom Gunnar Myrdal het meewarige Asian Drama. Een noodlottige samenhang van politiek, economie en instellingen zou ervoor zorgen dat Azië arm zou blijven. De situatie was hopeloos en Myrdal zag niet wie het continent uit het moeras zou kunnen trekken. Het boek paste in de toen ter linkerzijde heersende scepsis over de mogelijkheden van een kapitalistische weg naar ontwikkeling voor de Derde Wereld. Links hanteerde het centrum-periferiemodel: arme landen waren onderontwikkeld als gevolg van het koloniale verleden en hun blijvende afhankelijkheid van het kapitalistische centrum van de wereldeconomie zou ontwikkeling blokkeren.

Precies een kwart eeuw later, in 1993, publiceerde de Wereldbank het juichende rapport The East-Asian Miracle. Dat ging over de acht op dat moment best presterende economieën van Azië: Japan, de kleine tijgers (Taiwan, Hongkong, Singapore en Zuid-Korea), Maleisië, Thailand en Indonesië. Het rapport viel samen met het einde van de Koude Oorlog en de toen geformuleerde Washington-consensus. Die luidde dat vrije, open markten, privatisering en een terughoudende overheid de sleutels waren tot economisch succes. Zie het Aziatische wonder, zei men. Weer werd Azië bekeken door een ideologische bril, deze keer een neoliberale.

Nu ook de twee groten van Azië – China en India – zich hebben aangesloten bij de economische voorhoede, ligt er een nieuw boek: Waarom Azië rijk en machtig wordt. Het is geschreven door Roel van der Veen, een Nederlandse diplomaat die eerder de achterstand analyseerde van een ander continent in zijn succesvolle studie Afrika – Van de Koude Oorlog naar de 21ste eeuw.

De titel van het nieuwe boek suggereert een vorm van Asiamania, en de auteur geeft daar ook wel eens blijk van. Maar Van der Veen houdt zich verre van ideologie en analyseert nuchter. Hij schrijft over bevlogen leiders, die, voortbordurend op prekoloniale patronen en dankzij een gevarieerde koloniale erfenis, een gunstige internationale conjunctuur en een sterke gemeenschapszin hun land met actieve staatsbemoeienis op sleeptouw namen. Daar is geen woord links of rechts bij.

De schrijver is historicus en het boek is een lijvige geschiedenis geworden van vier stukken Azië: Oost-Azië (Japan en China), de vier tijgers (Taiwan, Hongkong, Singapore en Zuid-Korea), Zuidoost-Azië en, tenslotte, India. Van der Veen vangt die geschiedenis in een treffend beeld, dat van een vlucht wilde ganzen. De kop werd halverwege de negentiende eeuw genomen door Japan en het verhaal begint dan ook bij de befaamde Meiji-hervormingen in het Japanse keizerrijk.

Het meest verrassend in Van der Veens reconstructie is, gezien vanuit een ‘linkse’ gezichtshoek, het belang van de koloniale erfenis in het Aziatische succes: versterking van bestuursapparaat en infrastructuur en aansluiting op de wereldeconomie. En, vanuit ‘rechtse’ optiek, de belangrijke rol van staatsinterventie.

Japan reageerde op de westerse uitdaging – Amerikaanse oorlogsschepen voor de kust – door zijn losse feodale orde om te vormen tot een eenheidsstaat onder de keizer. Samoerai werden generaals en ministers aan het hoofd van een sterk, modern leger en een dito bureaucratie. Dat leger was na een imperialistisch avontuur en een verloren oorlog uitgespeeld, maar de Japanse industrie groeide daarna aan de leiband van een superministerie, het MITI.

De volgende succesverhalen spelen zich af in gewezen Japanse koloniën: (Zuid-)Korea en Taiwan. Japan had er de landbouw tot ontwikkeling gebracht en infrastructuur aangelegd. Dat bleek te helpen toen de Koude Oorlog uitbrak en de VS deze door het communisme bedreigde statelijke brokstukken de helpende hand reikten met kapitaalsinjecties en openstelling van de eigen markt voor de ontluikende exportindustrie van deze tijgerwelpen.

De volgende groeiers waren de al even broze enclaves Hongkong en Singapore. De Britse kroonkolonie ontwikkelde zich, in de luwte van de Koude Oorlog, met een hyperliberaal beleid met nauwelijks een rol voor de staat. Maar het Chinese Singapore, dat zich moest handhaven in een vijandelijke omgeving van islamitische Maleiers, werd tijger dankzij juist een sterke staat en een sterke leider, Lee Kuan Yew. Naarmate hij ouder werd, beriep Lee zich steeds vaker op het confucianisme van zijn voorvaderen, dat sociale harmonie en respect jegens ouderen en hoger geplaatsten (lees: de staat) voorschreef.

Maleisië, Thailand en Indonesië volgden een eigen weg, maar gaven alle drie voorrang aan de landbouw en industrialiseerden dankzij buitenlandse investeringen en export. In Kuala Lumpur en Jakarta werd het proces getrokken door sterke mannen als Soeharto en Mahathir Mohammed, in samenwerking met westers opgeleide technocraten. Maar deze staten bleven zwak. Ze zijn nog steeds geen partij voor calculerende elites en hun clientèle. De notie van het algemeen belang is er nauwelijks ontwikkeld. Een openbaar ambt schept verplichtingen, niet zozeer tegenover een anoniem publiek, maar jegens degenen die de weg hebben gebaand en de achterban (familie, dorp, streek). Van der Veen bagatelliseert deze zwakheid. Hij schrijft dat corruptie geen noemenswaardig negatief effect had op de groei. Maar toen de Aziatische crisis in 1997 toesloeg, bleek dat de verwevenheid van publieke en privébelangen de Indonesische kredietwaardigheid volledig had uitgehold.

De landen van Zuidoost-Azië hebben zich snel hersteld van de Aziatische griep en ze hebben de jongste mondiale crisis goed doorstaan. Mede dankzij de nog steeds levendige Aziatische handel en, in het geval van Indonesië, een relatief geringe afhankelijkheid van export. Maar het Aziatische zuidoosten houdt alleen aansluiting bij China, India en ‘de tijgers’ als de staat sterker wordt en zich bevrijdt uit het netwerk van patronageverhoudingen. Daarom is het zo jammer dat minister Sri Mulyani niet meer bestand was tegen de verdachtmakingen van door haar bedreigde makelaars.

China is een ander geval. Die reus ontwaakte toen de staat, na dertig jaar experimenteren met een socialistisch model, het boereneigendom en de markt in ere herstelde. Maar de ‘socialistische markteconomie’ biedt weinig sociale waarborgen voor arme boeren, werkloos geworden industriearbeiders en een groeiende massa bejaarden. De sociale dienstverlening is steeds vaker in handen van ngo’s, die zich wijselijk niet uitlaten over politiek, maar intussen een maatschappelijk middenveld van betekenis vormen. De partij waakt voor ondermijning van haar machtsmonopolie, maar de staat zou wel een stap terug kunnen doen, suggereert Van der Veen.

Milton Friedman, de grand old man van de neoliberale Chicago School, stak ooit de loftrompet over het laissez faire-beleid van Brits Hongkong. Maar dat was een vreemde eend in de Aziatische bijt. In het veel geprezen ‘Aziatische wonder’ speelde de staat een veel grotere rol dan Friedman wenselijk vond. Ook in de jaren tachtig en negentig, toen het Westen in de ban was van reaganomics en thatcherism is dat gedachtengoed in Azië nooit aangeslagen. Noch in Japan, noch bij de tijgers, noch in het zuidoosten. Maar een sterke en effectieve staat is in theorie neutraal, transparant en legt verantwoording af aan de bevolking. De snelle groeiers van Azië krijgen op deze punten heel verschillende cijfers.

Roel van der Veen: Waarom Azië rijk en machtig wordt, KIT Publishers, 592 blz, € 35,-