'Creative writing' losgelaten op de oneindige ellende van Haïti

Isabel Allende: Het eiland onder de zee. Vert. Rikkie Degenaar. Wereldbibliotheek. 448 blz. € 19,90

Dames die flauwvallen als ze een schorpioen zien, maar vooraan staan bij een martelpartij en die achteraf uitgebreid becommentariëren, onder het genot van een taartje en een drankje. Het is een van de effectievere beelden uit de roman Het eiland onder de zee van de Chileens-Amerikaanse schrijfster Isabel Allende.

De dikke roman speelt zich voor de helft af in Saint-Domingue, het huidige Haïti, in de tweede helft van de 18de eeuw. Degenen die gemarteld worden zijn de marrons, uit Afrika geïmporteerde slaven die ontsnapt zijn uit de suikerplantages en zich in het binnenland verbergen. De zweep en andere martelwerktuigen worden gehanteerd door de Franse kolonisator, zoals kapitein Etienne Relais, ‘de buldog van Saint-Domingue’. Velen van hen eindigen op ‘het eiland onder de zee’, waar ze volgens de bevolking hun eerder gestorven familieleden terug zullen zien.

In haar roman doet Allende een ambitieuze poging een cruciale periode uit de geschiedenis van het zo geteisterde westelijke deel van het eiland, dat toen nog La Española heette, in een romanesk verhaal te vatten. Het eerste deel van het boek, gesitueerd tussen 1770 en 1793 op Saint- Domingue, omvat de Franse koloniale periode, met op de achtergrond de politieke aardverschuivingen tijdens de Franse Revolutie en de decreten die de nieuwe volksvertegenwoordiging uitvaardigt ten aanzien van de verre overzeese kolonie.

Een van de hoofdpersonen, de adellijke Fransman Toulouse Valmorain, verlaat in 1770 het trouwfeestje van Marie-Antoinette aan het hof van Versailles, om met harde hand de suikerplantage van zijn vader te leiden. Een paar jaar later koopt hij, ter gelegenheid van zijn eigen huwelijk met een 13 jarige Spaanse, het 13-jarige slavinnetje Zarité. Met haar zal zijn leven voorgoed verbonden zijn: ze voedt zijn kinderen op (van wie er twee van hen beiden zijn) en ze redt zijn leven tijdens de grote slavenopstand van 1791, waarna Haïti de eerste zwarte onafhankelijke republiek wordt. Het tweede deel van het boek speelt zich af in Louisana, tussen 1793 en 1810, waar de Fransen in groten getale een goed heenkomen zoeken. Daar wordt Valmorain gedwongen zijn slavin haar vrijheid te geven.

Aan alle voor die historische periode belangrijke bevolkingsgroepen heeft Allende een personage toebedeeld. Er is een woordvoerder van de marrons, van de mulatten, de plantageslaven, de huisslaven, de prostituees, de artsenij, de Franse soldaten, de verlichte Fransen, de plantage-eigenaren en hun verveelde, afgematte echtgenotes. En daardoor ontstaat er een uitwaaierend weefsel dat alle problematische onderlinge relaties prachtig in kaart brengt. Je proeft als het ware het onderliggende schema dat Allende zorgvuldig heeft samengesteld, om in deze gevoelige, historische materie niemand over het hoofd te zien.

Deze roman wil een hommage aan de slaven zijn, een monument voor degenen die stierven hetzij op de plantages hetzij in de strijd voor hun vrijheid. Toch is het boek niet meer dan onderhoudend te noemen. De roman is een vaardig verteld, op Amerikaanse leest geschoeide verhaal van Allende. Hoewel je 450 bladzijden lang niet van de zijde van de slavin Zarité wijkt, lijd je nauwelijks met haar mee. De goeden zijn goed en de slechten zijn slecht. Het kleine beetje schuldgevoel waardoor plantagebezitter Valmorain wordt geplaagd is niet overtuigend, net zomin als Zarités besluit bij haar meester te blijven op het moment dat ze in vrijheid met haar minnaar kan vertrekken.

Anders dan bijvoorbeeld in Het huis van de geesten speelt Allende in deze roman niet met magisch-realistische beelden. Haar stijl is voluit realistisch, de strijd tussen de god van de rooms-katholieke missionaris en die van de loa’s, de voodoogeesten, en het contrast tussen de Franse aderlatingen en de lokale kruiden van medicijnenvrouw tante Rose, worden nauwelijks verbeeld of uitgebuit. Hoe anders schrijven hedendaagse Haïtiaanse auteurs over de chaos en de ellende waarin hun geboorteland steeds weer verkeert, over de slavernij, de opeenvolgende dictaturen, de diaspora, het exil, de natuurrampen. Frankétienne, Dany Laferrière, Lyonel Trouillot – ze gooien genres door elkaar, vermengen lied, mythe, geschiedenis, wanhoop en hoop in een zinderend, bijna onvertaalbaar magma van emoties. Ze laten hartstocht en melancholie zingen in een verscheurende mengelmoes van roman en poëzie. Zo ervaren zíj de geschiedenis en de identiteit van Haïti.

Daar staat de kundige creative writing van Allende mijlenver vanaf.