Cannes: kloof tussen film en tv verdwijnt

De Franse televisieserie Carlos, die woensdag werd vertoond in Cannes, leidt tot heftige discussies binnen de organisatie van het festival en in de media.

De selectie van een televisieserie voor het meest prestigieuze filmfestival ter wereld leidt in Cannes tot heftige discussies. De Franse regisseur Olivier Assayas (L’heure d’été, Clean) haalde met zijn drie vorige films moeiteloos de competitie van het festival. Ook zijn nieuwste werk, een vijfeneenhalf uur durende biopic over de Venezolaanse terrorist Carlos, die hij voor het Franse televisiekanaal Canal+ maakte, wilde hij graag in Cannes in première laten gaan; volgens Assayas de ‘beste’ en tegelijk ‘meest gevaarlijke’ plek om nieuw werk aan de wereld te presenteren.

De ‘Algemeen afgevaardige’ van het festival, Thierry Frémaux, had daar wel oren naar, in de lange televisieversie nog wel, en niet de versie van tweeëneenhalf uur voor de bioscoop, die Assayas ook nog uit het materiaal heeft gemonteerd. Toch zat Carlos aanvankelijk niet bij de geselecteerde films dit jaar. Frémaux zou zijn teruggefloten door de hoogste baas van Cannes, Gilles Jacob, na een lobby van de Franse filmproducenten, die Carlos uit Cannes wilden weren.

Daarop klom het machtige Canal+ in de hoogste boom met als resultaat dat Carlos woensdag toch te zien was, buiten competitie, in een marathonsessie met één korte pauze. Tekenend voor de ambigue status van de film, is dat de voorstelling het midden hield tussen een galapremière (avondjurken en smokings) en een persvoorstelling (T-shirts en sandalen). Dat is zeer uitzonderlijk op een festival dat is geobsedeerd door hiërarchie en een byzantijns en onwrikbaar systeem kent, dat bepaalt wie bij welke voorstellingen naar binnen mag, waarbij de sterren en het voetvolk strikt uit elkaar worden gehouden.

Carlos is als filmproductie een hoogstandje van logistiek en organisatie. Een snel gemonteerd epos dat zich afspeelt op verschillende continenten en dat nauwgezet de opkomst en neergang volgt van de beruchte terrorist, vanaf het moment van zijn rekrutering door een radicale Palestijnse groepering begin jaren zeventig, tot en met zijn arrestatie door Franse veiligheidsdiensten vijftien jaar later. De film schetst ook een beeld van de complexe politieke netwerken waarvan Carlos deel uitmaakt, reikend van Libië tot Irak. De Franse filmploeg streek ook neer in Nederland, want een van de eerste acties waar Carlos zijdelings bij betrokken is, betreft de gijzeling van de Franse ambassadeur in Den Haag door Japanse extremisten in de jaren zeventig. Het toenmalige terrorisme had evenzeer het karakter van een mondiaal netwerk als het huidige moslimterrorisme, maakt Carlos duidelijk.

De film lijdt enigszins aan hetzelfde euvel als het recente Das Baader Meinhof Complex; net al in die film over de R.A.F. worden de terroristen, Carlos voorop, louter afgebeeld als mannen (en vrouwen) van de daad, zonder enig innerlijk leven dat de moeite waard zou kunnen zijn. Wanneer hij geen aanslagen aan het plannen en uitvoeren is, zien we Carlos met een dikke sigaar, een glas whisky en een mooie vrouw in de buurt. Zijn radicale marxistische ideologie speelt slechts een kleine rol. Als Saddam Hussein de olieminister van Saoedi-Arabië uit de weg wil laten ruimen, om zo de olieprijs op te drijven, staat Carlos voor hem klaar; meer huurling dan vrijheidsstrijder. Het lijkt alsof de filmmakers zo bang zijn voor het verwijt terroristen te verdedigen en te romantiseren dat ze het niet aandurven om hun hoofdpersoon enigszins interessant te maken. De Venezolaanse acteur Edgar Ramirez komt als Carlos bovendien tekort aan charisma. Dan is vijfeneenhalf uur aan de lange kant.

Maar het doel is bereikt, de discussie die Frémaux voor ogen stond is losgebarsten. „Televisieseries en films: bestaat er een grens?” kopte Le Monde gisteren op de voorpagina en ruimde twee pagina’s in voor de kwestie. Dat Assayas een algemeen erkend filmkunstenaar is (‘een auteur’) zet het debat op scherp. Is hij plotseling geen auteur meer als hij voor de televisie werkt? Zelf vindt hij uiteraard van niet en hij spreekt van Carlos als een ‘metafilm’ die een plaats in de competitie had verdiend. Dat is nu nog een brug te ver. Maar dat dit soort debatten, ook door de kwaliteitssprong die het Amerikaanse televisiedrama heeft gemaakt met series als The Sopranos, Mad Men en The Wire, in de toekomst in Cannes nog vaker zullen terugkeren, staat vast.