Bij Brecht thuis

Enkele uren per dag staat het woonhuis van Bertolt Brecht (1898-1956) aan de Chausseestrasse in voormalig Oost-Berlijn open voor bezoekers. Hoewel ik nooit dol was op zijn nogal boodschapperige toneeloeuvre, kon ik de verleiding niet weerstaan. Brecht was een bijzondere man die een boeiend leven leidde, waarvan hij de laatste drie jaar met zijn vrouw Helene Weigel hier doorbracht.

De straat ligt in een saaie buurt, maar de woning mag er zijn; een fors huis waarvan Brecht de eerste etage in het achterhuis bewoonde. Op deze morgen zijn wij de enige buitenlandse toeristen. Samen met een groep Duitse scholieren worden we rondgeleid door een pittige vrouwelijke gids, die in een Matthijs van Nieuwkerk-achtig tempo Duits spreekt dat wij met moeite kunnen bijbenen.

„Brecht en zijn vrouw waren zeer vitale mensen”, zegt ze tegen de scholieren. „Ik weet dat jullie mensen boven de dertig al erg oud vinden, maar dat hoeft niet.” En met een blik op mijn vrouw en mij: „Kijk maar naar deze mensen.”

Wij blozen (bewijs van jeugdige vitaliteit!), maar schrikken ook. Ze bedoelt het goed, onze gids, die trouwens zelf ook al tegen de veertig loopt, maar je voelt je toch opeens aan je sterfelijkheid herinnerd.

Brecht bewoonde drie vertrekken: een met zijn bibliotheek (hij bezat vierduizend boeken), een grote werkkamer en een slaapkamer. Mij valt meteen op dat zijn boekenbezit niet achter glas wordt bewaard. Er zijn planken met filosofen, Shakespeare, bijbelboeken en het Verre Oosten (Confucius). Hij las ook nieuwe Amerikaanse literatuur. Ik noteer Faulkner (Hamlet), Hemingway (Across the river and into the trees) en zelfs Saul Bellow (een al bijna verkruimeld pocketexemplaar van The Adventures of Augie March). Aan de muur hangt een gedicht van Mao, wiens communistische gedachtengoed Brecht al zeer aansprak voor hij in het Westen in de mode kwam.

Ook in zijn grote werkkamer staat een royale boekenkast. Daarin bewaarde hij zijn detectiveboeken die hij ter ontspanning regelmatig las. In een hoek staat op een klein bureau zijn verweerde typemachine en verder vallen de drie bureaus op. Hij liep vaak op en neer tussen zijn bureaus om aan verschillende teksten te werken.

Zijn slaapkamertje dat aan zijn werkkamer grensde, mogen wij niet betreden, maar we kunnen wel even om de hoek kijken. Hier stierf hij.

Een sobere kamer, net als de andere twee. Het bed heeft een houten ombouw en er ligt nog een deken op. Ik durf niet te vragen of dit ‘de deken van Brecht’ is – journalisten hebben al zo’n slechte naam.

Onze gids vertelt dat Brecht en Weigel in afzonderlijke vertrekken leefden. Weigel had de laatste jaren eigenlijk al met hem gebroken, diep verwond als ze was door zijn kritiek op haar prestaties als actrice. Maar Brecht wist haar over te halen het nog één keer onder hetzelfde dak te proberen. Hij had altijd veel vrouwen gehad, naast Weigel, maar zonder haar kon hij niet leven. Ze spraken af dat ze altijd zouden kloppen voor ze bij elkaar binnenstapten.

Nu liggen ze samen naast elkaar begraven, op het kerkhofje naast hun huis. Vlakbij het graf van de grote filosoof Hegel.

Brecht was een ijdel man en hij vond dat hij er recht op had de rest van de eeuwigheid naar Hegel te kunnen kijken. Laat Mao het niet horen.