Bewaar me

Het begon met een groepje vuilniszakken, vlak voor mijn deur. Er kwam een stoel met drie poten bij. Een matras met bruine bloemvormige vlekken. Een verzameling bloempotten, beschilderd met zonnen, vogels en dieren die ik niet onmiddellijk kon thuisbrengen. Iemand legde een scheve ladder over wat al een lage heuvelrug aan het worden was. Een uitgeholde televisie, een meerdelige encyclopedie en een ingestorte kledingkast kwamen er bovenop.

Fietsend door de stad zag ik de meest onwaarschijnlijke combinaties van objecten. Zoals kleuren kunnen vloeken, zo botsten de betekenissen van de objecten met elkaar. Het vloekte en botste in de stad, zoals ik alleen in de beste schilderijen voor mogelijk had gehouden.

Tot mijn teleurstelling zie ik de kleurrijke heuvels en bergen die de afgelopen weken als in een aanwassend landschap in de stad zijn verschenen, langzaam maar zeker slinken.

Ik genoot ervan om te zien wat men weggooit. Ik genoot er vooral van om een blik te kunnen werpen op wat men tot voor kort nog in huis had staan.

Alles wat vandaag op de stoep staat, stond gisteren nog in een gang, een logeerkamer, misschien wel al op het balkon, op weg naar buiten.

Ikzelf heb een aantal zakken met kleding in de hal staan. Ik had ze eerst naast mijn klerenkast gezet, met het idee dat ik de kleren zo weer terug kon hangen, mocht ik spijt krijgen van mijn beslissing ze weg te doen. Toen de zakken er ruim een week hadden gestaan, zonder dat ik er ook maar een enkel kledingstuk uit had gemist, verplaatste ik de zakken naar de woonkamer, met de bedoeling ze later bij de deur te zetten. Zo nam ik langzaam afscheid van de broeken, de T-shirts en de sokken die ik jarenlang heb gedragen.

Hoe is het mogelijk dat ik een band aanga met een lap, dat ik me hecht aan garen, gesponnen in de vorm van een sok? ‘Bewaar me’, hoor ik de sok fluisteren.

Nu staan de zakken bij de deur. Ik weet zeker dat ik ze weg ga gooien. Ik weet niet eens meer wat er precies in zit. Hoe vager de inhoud, des te gemakkelijker het straks is ze definitief naar buiten te dragen.

De zakken herinneren me aan een opslagplaats die ik ooit heb gehuurd om spullen op te bergen die ik niet onmiddellijk nodig had. De paar kubieke meters die ik huurde, raakten al snel vol met dozen die ik jaren niet meer had ingekeken, maar waarvan ik zeker wist dat ze iets belangrijks bevatten. Ik zette er spullen bovenop. Al gauw wist ik niet meer wat er op de achterste rij stond.

Nu heb ik geen idee meer wat mijn opslagplaats bevat. Ik heb er nog nooit iets uit gemist. Al vijf jaar niet. Ik durf niet goed te gaan kijken wat ik er allemaal heb staan. Ik ben bang dat ik vijf jaar huur heb betaald om een hoop rommel te bewaren. Ik probeer de neiging te weerstaan om uit te rekenen hoeveel piano’s ik voor de huurprijs had kunnen kopen: in plaats van de opslag had ik inmiddels een babyvleugel kunnen hebben.

Ik ben bang dat ik bij het terugzien van de spullen een oude band zal voelen. Ik ben nog banger dat het hernieuwde contact onverbrekelijk zal zijn.

Nu ik erover nadenk, is het me wel een vleugel waard om nooit meer geconfronteerd te worden met de inhoud van mijn opslag.