Bedankt, lieve ouders

Wat te doen nu de oudere generatie, de babyboomers, erop los blijkt te hebben geleefd en nieuwe generaties met de rotzooi opscheept?

David Willetts: The Pinch. How the Babyboomers Took Their Children’s Future and Why They Should Give It Back. Atlantic Books, 314 blz., €25,-

Iedereen herkent het. Ouders komen terug van een avondje uit en treffen de resten aan van een uit de hand gelopen feestje van een zwerm tieners die elkaar hoogstens van Facebook kennen. De augiasstal voedt bij de ouders de diep gewortelde vrees dat jongeren niet waarderen en beschermen wat oudere generaties hebben opgebouwd.

Maar wat als het andersom is? Als de oudere generatie erop los heeft geleefd en de rotzooi achterlaat voor de nieuwe generatie? Dat hebben de babyboomers (geboren tussen 1945 en 1965) gedaan en nu komen de rekeningen binnen die de jonge generatie moet betalen, stelt de Britse oud-parlementariër David Willetts in zijn boek The Pinch. Hij gaat nog een stap verder. Hij beschuldigt de babyboomers ervan dat ze de toekomst van hun kinderen hebben ‘gestolen’. Ze moeten die teruggeven.

Willetts is zelf een boomer uit 1956. Hij studeerde politicologie en economie in Oxford, werkte bij het ministerie van Financiën en vertegenwoordigde jarenlang de Conservatieven (Tories) in het parlement. Hij geldt als een van de weinige intellectuelen – ‘deep thinkers’ – in de partij. Een moderne conservatief, die het civic conservatism bedacht, dat naast de markt een grote rol ziet weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. The Spectator noemde hem de ‘echte vader van het Cameronisme’.

Toekomstige generaties zullen voor fikse problemen moeten opdraaien, aldus Willetts: de kosten van de pensioenen als de grote golf babyboomers binnenkort ophoudt met werken, de kosten van de klimaatverandering, de kosten die gepaard gaan met de noodzakelijke investeringen in bijvoorbeeld onderwijs om welvaart te genereren. En dan nog de rentelast van de opgelopen overheidsschulden – dankzij de banken die met tientallen miljarden gered moesten worden uit de kredietcrisis.

Veel sociale en economische problemen zijn volgens Willetts het gevolg van het falende ‘contract’ tussen de generaties. Dat is het werkelijke verhaal dat schuil gaat achter de hoge overheidstekorten en de lage besparingen.

Inderdaad is de samenhang die Willetts laat zien tussen ogenschijnlijk uiteenlopende ontwikkelingen een eyeopener, maar The Pinch is ook een polemisch boek. Willett snijdt een zeer relevant en gevoelig onderwerp aan – de solidariteit tussen ouderen en jongeren. Dat is een kwestie die in Europa actueler is dan ooit. Ook tijdens de verkiezingscampagne in Nederland gaat het hierom, want wie draait op voor de rekeningen die de babyboomers achterlaten? Willetts neemt het overtuigend op voor de jongeren, die in de toekomst op sociaal en economisch gebied veel slechter af zullen zijn. Minder studiefinanciering, minder sociale zekerheid, minder baangaranties en een slechter pensioen.

Willetts is diep in de statistieken gedoken en illustreert aan de hand van de vermogenspositie van de babyboomers hoezeer zij genieten van een spectacular good deal, die ze voor zichzelf hebben gesloten. De meeste cijfers heeft hij voor Engeland opgediept, maar ze zijn ook inzichtelijk voor landen zoals Nederland, Duitsland, Frankrijk of Spanje.

Voor Groot-Brittannië geldt dat de 60 miljoen Britten in totaal bijna 7.000 miljard pond bezitten. Een kwart daarvan bestaat uit financiële beleggingen (aandelen, obligaties), die vrijwel geheel in handen zijn van vijftigers en zestigers. De helft van de bevolking is onder de 40 en bezit maar 15 procent van deze middelen.

De explosie van de huizenprijzen in de afgelopen 15 jaar heeft de grootste verschuiving in vermogen tussen de generaties opgeleverd sinds WO II. Van de 50-jarigen bezit ruim 80 procent een eigen woning tegen slechts 15 procent van de mensen onder 44. Bijna een vijfde van de vijftigers heeft een tweede huis. Meetellen van de pensioenen maakt de tegenstellingen nog schever. Veel grote pensioenfondsen zijn vergrijsd en kennen steeds meer gepensioneerden en steeds minder actieve deelnemers. Jonge mensen komen er nauwelijks meer in, althans in de particuliere sector. Voor nieuwe werknemers worden nieuwe, minder royale fondsen opgezet wat volgens Willetts neerkomt op een verschuiving van middelen tussen generaties.

Al kent Engeland een ander pensioenstelsel dan Nederland, de situatie van vergrijsde fondsen, ‘sinking giants’ zijn ze wel genoemd, is hier niet anders. ‘Twintigers en dertigers, die nu premie betalen, vinden straks lege potten’, waarschuwt Martin Pikaart van Alternatief voor Vakbond, dat aandringt op aanpassingen van het pensioenstelsel.

Op de arbeidsmarkt hebben de jonge generaties X (geboren in de jaren 60) en Y (jaren 80), te maken met dalende inkomens omdat ze door de globalisering moeten concurreren met migranten die lagere lonen vragen. Ze kunnen daarom niet profiteren van een krapper wordende arbeidsmarkt nu de babyboomers met pensioen gaan. Tel daarbij nog de enorme schuldenlast die moet worden afgelost, dan is voor Willetts één conclusie helder: jongeren en toekomstige generaties zijn de echte verliezers van de huidige financiële crisis, van het negeren van de klimaatverandering en het energieprobleem.

De situatie wordt verergerd doordat het steeds moeilijker is geworden uit een achterstandssituatie te ontsnappen. Lang werd aangenomen dat het moderne kapitalisme een stijgende sociale mobiliteit met zich meebracht; generaties zouden het steeds beter krijgen. Groot was de schok toen Brits onderzoek uitwees dat de sociale mobiliteit juist afnam.

Hiermee roert de conservatief Willetts hoogst actuele, progressief aandoende thema’s aan zoals de erosie van sociaal kapitaal door tekort schietend onderwijs en toenemende ongelijkheid. Al laten sociale ongelijkheid en sociale immobiliteit zich in een egalitaire samenleving als de Nederlandse moeilijk vergelijken met een klassenmaatschappij als Groot-Brittannië, toch speelt ook hier onrust over de groeiende rechtenkloof tussen de almaar grotere groep flexwerkers en werknemers in vaste dienst.

Willetts wijst nog op een andere, even interessante als zorgelijke ontwikkeling. Feminism has trumped egalitarianism’; het feminisme heeft het gelijkheidsideaal overtroefd. Dat zit zo: dochters uit de hogere middenklasse hebben in groten getale geprofiteerd van de uitbreiding van het hoger onderwijs, meisjes uit de lagere inkomensgroepen nauwelijks. Sindsdien trouwen hoog opgeleide mannen met hoog opgeleide vrouwen, en wordt dus minder ‘omhoog’ getrouwd. Ook het aantal scheidingen onder moeders zonder opleiding is explosief gestegen. En scheiden betekent, meestal, ook minder inkomen. Daarmee heeft de toename van gelijke kansen voor vrouwen en mannen een toenemende ongelijkheid tussen sociale klassen tot gevolg. Jammer dat Willetts de oorzaken van de haperende sociale mobiliteit niet uitwerkt.

Wel vindt hij dat stimulering hiervan een belangrijke taak is van scholen en andere maatschappelijke instellingen. Momenteel vergroot het Britse onderwijssysteem volgens hem de sociale voordelen van de betere klassen, terwijl arme kinderen op ‘verkeerde’ scholen worden afgeremd, ook als ze slim zijn. Slimme kinderen uit arme milieus zijn als ‘zalm die probeert stroomopwaarts te zwemmen’, stelt Willetts vast. Het is kortom voor een dubbeltje steeds moeilijker om in een kwartje te veranderen. Met als gevolg de sluipende maatschappelijke tweedeling tussen kansrijken en kanslozen die zich ook elders in Europa aftekent.

Hoe kan nu worden voorkomen dat een harde strijd tussen generaties losbrandt over de verdeling van de schaarser wordende middelen? Herverdeling, aldus Willett, niet alleen in geld, maar ook in macht en in kansen. De babyboomers zullen dit moeten zien te realiseren, want zij domineren in aantal de belangrijkste economische en politieke posten. Willetts mag dan een beetje hard zijn voor de babyboomers – we weten niet hoe zij door de huidige financiële storm komen – hierin heeft hij gelijk. Maar dat het niet eenvoudig is maakt Willetts inzichtelijk aan de hand van politieke denkers als Tocqueville, Schumpeter en Giddens, die menen dat de sociologische trend tegenzit. Consumentisme en het ultra-individualisme zijn debet aan de ondermijning van de balans tussen generaties, die traditioneel vanuit het kerngezin bewaakt werd. Gezinsachtige principes als wederkerigheid, altruïsme en empathie waarborgen de sociale samenhang. Daarom ziet Willetts een belangrijke rol voor de overheid weggelegd om de balans tussen generaties te herstellen en middelen anders te verdelen.

Groot-Brittannië krijgt wat dat betreft met zijn ‘toevallige revolutie’ (The Economist) een nieuwe kans. De generatie X van David Cameron en Nick Clegg, beiden in 1967 geboren, neemt het over. ; Met David Cameron, een conservatief die ‘de boel bij elkaar wil houden’ en een sociaal-liberaal als Clegg, hebben de Britten politici die willen afrekenen met het schrale neoliberalisme en willen investeren in de sociale toekomst van het land. Dat blijkt uit hun plannen voor schuldsanering en beter onderwijs.

Sommige indianenstammen keken liefst zeven generaties vooruit om de toekomst van hun kinderen te beschermen, schrijft Willetts. The Pinch daagt politici, ook in Nederland, uit om verder te kijken dan de volgende verkiezingen.