Achter elke cactus een illegaal

Een strenge immigratiewet in Arizona lijkt bij voorbaat te sneuvelen. Toch dwingt het belang van de Latino-stem politiek Washington tot forse stellingname.

En daar keerde Barack Obama zich alweer tegen de strenge immigratiewet die in Arizona is aangenomen. Naast zijn Mexicaanse ambtgenoot Calderon zei hij woensdag dat de wet vermoedelijk „elementaire burgerrechten” schendt.

Het was de zoveelste keer dat de president zich uitsprak over het thema. De vraag is: waarom toch?

De wet heeft maar op een van de vijftig Amerikaanse staten betrekking en redt het vermoedelijk niet. Staatsrechtgeleerden van links en rechts zijn het erover eens zijn dat hij in strijd is de Grondwet.

De wet maakt twee dingen mogelijk die ondenkbaar leken in de VS, immigratieland bij uitstek. Politiemensen in Arizona mogen voortaan op grond van ongespecificeerde verdenkingen – lees: vermoedens – naar de verblijfspapieren van burgers vragen. En als agenten deze bepaling niet strikt naleven, hebben andere burgers het recht de politie aan te klagen.

Republikeinen van alle soorten en maten hebben zich hier al tegen gekeerd. „Ik zou niet goed weten hoe je dit in de praktijk brengt”, zei Jeb Bush, broer van en ex-gouverneur van Florida. „Ik verwacht dat er grondwettelijke bezwaren aan kleven”, zei Bush’ strateeg Karl Rove, tegenwoordig commentator van FoxNews. Zelfs oud-Congreslid Tom Tancredo, al jaren de Sjakie Plof van de anti-immigratiebeweging en nu Tea Party-activist, vindt het „onjuist dat je aangehouden wordt op grond van je uiterlijk”.

Dat was eind april, de wet was net aangenomen. Sindsdien houden de meeste nationaal opererende Republikeinen zich afzijdig, zeker nadat een peiling suggereerde dat 70 procent of meer van de bevolking het eens is met de wet.

Democraten houden het vuur intussen gaande. Harry Reid, hun leider in de Senaat, zei eind april dat hij met voorrang gaat werken aan nationale regels om de wet uit Arizona terzijde te schuiven. Het haalde alle tv-journaals.

Zijn opmerkingen waren de opmaat voor kritiek die Democraten sindsdien dagelijks uiten. Media blijven zodoende reportages uit de grensstreek van Arizona met Mexico maken. Vooral in het woestijngebied van de provincie Pima, waar het reservaat van de Tohono O’odham-indianen vanuit de VS overloopt in Mexico, is illegale immigratie nauwelijks beheersbaar.

Lokale bewoners hebben er weinig moeite mee, zij zijn van oudsher gewend aan een gemengd Mexicaans-Amerikaans leven. Wie er ’s ochtends tussen zes en acht gaat kijken in de buurt van een winkelcentrum, ziet bouwondernemers de illegalen met tientallen tegelijk in hun vrachtwagentjes laden. In cafés is de standaardgrap dat je in Pima „achter elke cactus een illegaal” hebt.

De tolerantie jegens illegalen daalde de laatste jaren in Arizona door drugssmokkel die nauw met illegale immigratie verwant is. J.D. Hayworth, een conservatieve talkradiopresentator, zette het debat op scherp door John McCain uit te dagen voor zijn zetel in de Senaat.

Hayworth heeft zeker geen grootse staat van dienst – hij werd in 2006 door de kiezer uit het Huis van Afgevaardigden geknikkerd – maar de huidige combinatie van recessie en drugsoorlog doet de anti-immigrantengevoelens in de staat oplaaien, en volgens peilingen heeft hij zowaar kans McCain uit de Senaat te stoten. Voor McCain is de nieuwe wet daarom een blessing in disguise. Hij heeft nog geen expliciete steun uitgesproken, maar zegt wel „alle begrip’’ voor de wetgever te hebben.

Een noodzakelijke geringe ommezwaai in het huidige klimaat: McCain heeft een verleden als pro-immigratiepoliticus. Hij initieerde met wijlen Ted Kennedy in 2006 wetgeving die de meesten van de 12 miljoen illegalen in de VS een status als gastarbeider in het vooruitzicht stelde. De wet had steun van George W. Bush, maar sneuvelde, omdat Republikeinse Congresleden er een ideaal middel in zagen om tegen de toen al impopulaire president te rebelleren.

Het gevolg is dat het Congres al sinds 1987 niets doet aan de groeiende groep illegalen in het land – en in dat vacuüm is de wetgever van Arizona gestapt.

De paradox is dat dit voor Republikeinen in Arizona slimme politiek mag zijn, maar voor landelijke Republikeinen een nachtmerrie. Latino’s zijn de snelst groeiende kiezersgroep in de VS en laten hun stem, anders dan de rest van de kiezers, vrijwel volledig van immigratiestandpunten afhangen. In 2004 legde Karl Rove al uit dat Republikeinen „een substantieel deel” van deze groep aan zich moeten binden, omdat de partij anders geen kans meer heeft op het presidentschap. Om die reden bediende Bush zich nooit van de bekende anti-immigrantenretoriek.

Het probleem voor Republikeinen blijft groeien. Bij de presidentsverkiezingen van 2008 was in enkele cruciale swing states (Florida, New Mexico, Colorado, Nevada) al 10 procent of meer van de kiezers latino, en zij waren de beslissende factor voor het feit dat Obama al deze staten won.

Dat leden van het Huis van Afgevaardigden anders met dit thema omgaan, is niet minder logisch. Zij worden per district (een soort provincie) gekozen. En omdat latino’s in een relatief klein aantal districten wonen, is hun invloed op de uitslag van Congresverkiezingen – zoals komend najaar – veel kleiner. Zodoende slaagt de federale regering er maar niet in iets aan de status van illegale immigranten te doen: presidenten (Reagan, Clinton, Bush jr.) proberen het, het Congres houdt het telkens tegen.

Dat verklaart meteen waarom Barack Obama dezer dagen niet uitgepraat raakt over een wet van een staat, die waarschijnlijk zal sneuvelen bij het Hooggerechtshof. Als hij zelf wetgeving presenteert om het probleem aan te pakken, vraagt hij om ongelukken: een groot deel van de Democratische Congresleden zou zich tegen de president afzetten. Maar suggereren dat de regering een menselijkere behandeling van illegalen nastreeft door zijn kritiek op de wet van Arizona uit te venten, is lang geen gek alternatief.

Niet dat er geen nadelen aan deze aanpak kleven. In de latino-gemeenschap groeit de onrust nu het debat uit Arizona door Democraten is omgezet in een nationale kwestie. Hoe dat uitpakt, bleek deze week toen een achtjarig schoolmeisje uit Maryland zich in een gesprek met Michelle Obama afvroeg waarom de president „iedereen wegstuurt die geen papieren heeft”, en dat „mijn mama ook geen papieren heeft’’.

Het meisje was onjuist geïnformeerd – deportatie van niet-criminele illegalen is geen federaal beleid – maar tv-camera’s legden het moment genadeloos vast, en het fragment wordt al dagen herhaald. Angst als bijproduct van een discussie waarin niet wordt gestreefd naar een oplossing: zo werkt politiek in Amerika dezer dagen.