1585 moet nog altijd paraat zijn

De eindexamens zijn deze week begonnen. NRC-redacteuren beleven hun ‘slechtste’ vak opnieuw. Vanochtend was dat geschiedenis (havo).

Het maken van een geschiedenisproefwerk was, samen met voetballen bij gym, een van de grootste geneugten van mijn middelbareschooltijd. Geen meerkeuzevragen, geen strak afgebakende antwoordmogelijkheden. We moesten, benadrukte mijn leraar altijd, onze antwoorden vooral goed beargumenteren. Dat deed ik.

Die geschiedenisleraar was trouwens van het ouderwetse soort – een verhalenverteller. Als het moest, sprong hij op tafel om zijn verhaal kracht bij te zetten, bijvoorbeeld om ons duidelijk te maken hoe Hannibal met olifanten de Alpen over trok.

Alle ingrediënten waren dus aanwezig voor een succesvolle carrière als geschiedenisleerling, maar helaas handelt deze rubriek over ‘je slechtste vak’. Ik haalde in 1997 op het eindexamen vwo voor mijn lievelingsvak een mager zesje. Hoe kon dat?

Ik moest even opzoeken welke thema’s het geschiedenisexamen van dat jaar ook alweer behandelde. Het waren de jaren van de twee examenonderwerpen. In mijn geval bleken dat ‘de Verenigde Staten’ en ‘Nederland 1780-1830’ te zijn geweest. Het begon me te dagen waarom het eindresultaat zo was tegengevallen.

De Verenigde Staten, dat ging nog wel. Declaration of Independence, Uncle Tom’s Cabin, dat werk. Het probleem was Nederland, of beter gezegd de Republiek der Verenigde Nederlanden (tot 1795), de Bataafse Republiek (1795-1801), het Bataafs Gemenebest (1801-1806), het Koninkrijk Holland (1806-1810), het Eerste Franse Keizerrijk (1810-1813), het Vorstendom der Nederlanden (1813-1815) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (tot 1831).

Ik vermoed dat dat onderwerp me toen, op zestienjarige leeftijd, niet zo interesseerde. Nu vind ik het prachtig om te weten dat de Bataafse Republiek naar Frans model was ingedeeld in naar rivieren en eilanden genoemde departementen, toen blijkbaar nog niet.

Na mijn tijd is de hele geschiedenis door een commissie ingedeeld in tien ‘tijdvakken’. Leerlingen beginnen in de vierde klas met de jagers en verzamelaars, „rammen” de Grieken en Romeinen erdoorheen en maken na een week of zes een toets „tot en met het jaar 800 na Christus”.

Aan het woord is Daniel Dessaur, leraar geschiedenis van de Regionale Scholen Gemeenschap Noord Oost-Veluwe in Epe. Hij geeft „hoorcolleges” aan vierdeklashavisten en -vwo’ers. „Dat is geschiedenis in sneltreinvaart, maar er is af en toe ook ruimte voor verdieping.”

Het havo-examen geschiedenis van dit jaar vertoont nog grote overeenkomsten met de examens uit de jaren negentig. De roulerende thema’s zijn ‘de economische geschiedenis van de Republiek tussen 1550 en 1789’ en ‘de dekolonisatie van Vietnam’. Het eerste onderwerp is volgens Dessaur „niet altijd even sexy”, de Vietnam-oorlog noemt hij „de oorlog met de beste soundtrack”.

Het geschiedenisonderwijs bestaat voor een groot deel uit het beoordelen van historische bronnen, het kritisch kijken naar voorgeschotelde informatie. De aandacht daarvoor is wat „doorgeschoten”, zegt Dessaur. „Ik vind chronologie, begrijpen wat er is gebeurd, ook nog heel belangrijk.”

Het examen van dit jaar bevat ook weer veel bronnen, dertien in totaal, bestaande uit teksten, prenten en tabellen. Gelukkig, concludeert Dessaur, moeten leerlingen ook inzicht tonen. Zo bevat vraag 2 een bewering uit een boek over de geschiedenis van Brabant: „Gedurende de hele (zestiende) eeuw waren de Nederlanden als het ware slechts de randgemeente van deze wonderbare stad (Antwerpen), die hen aan haar invloed onderwierp.” De leerlingen moeten uitleggen dat deze bewering juist is voor de periode tot 1585, maar voor de periode na 1585 niet meer opgaat. Dan moet je dus beschikken over de parate kennis dat Antwerpen in 1585 in handen viel van de Spanjaarden.

Het verhaal is nog niet weg uit de geschiedenis, concludeert Dessaur, net zo min als kennis van de chronologie. Laat dat zo blijven.