Wollemi pine, stinklaurier en een Oostkaapse broodboom

Sommige planten worden gekoesterd. Van de oeroude Wollemi pine waren ooit 45 exemplaren, nu kun je stekjes kopen. Maar voor andere is weinig aandacht.

Daar staat hij dan in zijn traliekooi, hangslotje erop. Dat moest van de verzekering. Want de Wollemi pine is een levend fossiel uit de dinosaurustijd.

De pijnboom is een pronkstuk op de tentoonstelling Planten in de hoofdrol – biodiversiteit uit de hele wereld in de Hortus Botanicus, in het hart van Amsterdam. Vanaf zaterdag, de Internationale Dag van de Biodiversiteit, voert een wandelroute langs de Wollemi pine en 49 andere bijzondere planten.

De Wollemi pine stond altijd te boek als uitgestorven, slachtoffer van klimaatverandering. Hij behoort tot een primitieve, zo’n 200 miljoen jaar oude naaldbomenfamilie. Alleen fossiele vondsten met printjes van naalden waren bekend. Niemand had hem ooit gezien. Totdat de Australische boswachter David Noble in 1994 met een helikopter boven de Blue Mountains cirkelde. In een rotskloof, zo’n 20 kilometer ten noordwesten van Sidney, ontdekte hij een opmerkelijke groep glanzend groene coniferen. Lange, slanke, vaak veelstammige pijnbomen, tot 35 meter hoog, met een vreemde pokdalige schors. Er stonden zo’n 45 exemplaren bijeen, de allerlaatste in hun soort, in een diep, warm zandsteenravijn. Vier jaar later vond men ook zo’n 200 zaailingen. Deze zeer trage groeier kan 500 tot 1.000 jaar oud worden. Botanische tuinen wereldwijd trokken zich het lot van de Wollemi pine aan. „Dankzij een intensief stek- en zaaiprogramma is hij nu voor tuinliefhebbers in de Amsterdamse Hortus gewoon te koop”, vertelt adjunct-directeur Joke ’t Hart.

Bij de tentoonstelling hoort een aantrekkelijke, informatieve, tweetalige catalogus. Die laat zien waar de planten in het wild voorkomen, wat kenmerkend is, hoe ernstig ze worden bedreigd en waardoor. „Aan dieren is al veel biodiversiteitsonderzoek gedaan. Wij vonden het tijd worden voor planten in de hoofdrol”, aldus ’t Hart.

Hoeveel plantensoorten wereldwijd bedreigd zijn, is niet bekend. Reinout Havinga, wetenschappelijk collectiebeheerder van de Amsterdamse Hortus, heeft zo’n 4.000 plantensoorten onder zijn hoede. „Daarvan staan er 200 op de IUCN-lijst van met uitsterven bedreigde soorten, of op de Nederlandse Rode Lijst.” Volgens Joke ’t Hart zou de lijst van Rode Lijstsoorten nog veel langer zijn als de hele natuur goed in kaart gebracht was. De kurkeik bijvoorbeeld staat niet op de IUCN Red List omdat hij, door gebrek aan natuurbeschermingsbudget, nog niet is beoordeeld. „Intussen weet iedereen dat de kurkeiken in Spanje en Portugal sterk achteruitgaan, en daarmee ook het bijbehorende ecosysteem”, zegt Havinga.

Tot de kuipplanten van de hortus, die alleen ’s zomers buiten staan, hoort de stinklaurier. Vóór de laatste ijstijd waren laurierbossen in heel Europa wijdverbreid, nu groeit de stinklaurier alleen nog op de Canarische eilanden en op Madeira. Hij groeit alleen op vochtige noordoosthellingen, waar hij de mist opvangt en als drinkbaar water naar de voet van de stam laat afstromen. Daarom was het vroeger een heilige soort.

In mei op zijn mooist is de vaantjesboom of zakdoekjesboom, boordevol ritselende witte schutblaadjes die de bloemen omgeven. Fossiele vondsten tonen dat hij vroeger ook in Noord-Amerika uitgebreid voorkwam. Na de laatste ijstijd resteren kleine leefgebieden verspreid over Midden-China.

Ook veel andere primitieve bloemplanten die vroeger algemener waren, vonden na de ijstijden in Midden-China een laatste toevluchtsoord. Hier worden voortdurend nieuwe soorten ontdekt. Bedreigde soorten dichter bij huis zijn akkeronkruiden als korenbloem en bolderik, die zich vroeger met het zaaizaad verspreidden. Door de introductie van onkruidbestrijders én beter geschoond zaaizaad zijn ze vrijwel verdwenen.

Kromgegroeid in zijn houten kuip staat in de historische palmenkas de Oostkaapse broodboom. De Hortus kocht dit meer dan 300 jaar oude exemplaar in 1850 uit de collectie van koning Willem II. Dit is een van de oudste potplanten ter wereld. Eens in de tien jaar produceert de mannelijke broodboom een zaadkegel. Het vrouwtje, dat een meter of tien verderop staat, en zo’n 100 jaar jonger is, produceert haar eigen kegel, maar net niet in hetzelfde jaar. Om de soort in stand te houden wordt het stuifmeel ingevroren voor later gebruik en ook uitgewisseld met andere tuinen.

Blikvanger in de Drieklimatenkas is Wood’s broodboom. Het laatste wilde exemplaar is in 1907 door de toenmalige shotgun biologists gefotografeerd op een steile zuidhelling in het Ngoyawoud in Natal, Zuid-Afrika, daarna gekloond en verspreid over botanische tuinen. Het was een mannetje. Het laatste mannetje.

Planten in de Hoofdrol. Van 22 mei tot 30 september. Hortus Botanicus, Plantage Middenlaan 2a, Amsterdam