Wie en wat herdenken wij?

Om de een of andere raadselachtige reden verschijnen er op Hemelvaartsdag geen kranten; op Goede Vrijdag daarentegen wél, terwijl, naar mijn lekenoordeel, de dag van Jezus’ dood aan het kruis – het kruis dat het symbool van de hele christenheid is geworden – hoger in de christelijke waardenhiërarchie zou moeten staan dan de dag waarop Jezus ten hemel gestegen is, een feit waarvan de historiciteit bovendien meer betwist wordt dan die van het andere.

Hoe het ook zij – als gevolg van deze ondoorgrondelijke beschikking verscheen deze rubriek vorige week niet. Dit gaf mij de gelegenheid de actuele gebeurtenissen van een nog grotere afstand te bekijken en overdenken dan zelfs in een wekelijks verschijnende rubriek mogelijk is. Zo had ik de gelegenheid de foto’s goed te bekijken die de paniek toonden die ook leek te zijn ontstaan onder de voorste hoogwaardigheidsbekleders op de Dam als gevolg van de verstoring van de twee minuten stilte op 4 mei.

De zo koningsgezinde Telegraaf gaf op 6 mei een paginabrede foto, boven de kop ‘Hulde aan Koningin’, die de indruk geeft van een uiteenstuivende rij: sommigen blijven als versteend staan, kijkend in de richting waar het geluid vandaan komt; anderen zoeken, verschrikt, een goed heenkomen. Bijzonder opvallend is, in het midden van de foto, een grote, zware man die, als een bulldozer, naar voren stormt, een paar dames opzij stotend.

De koningin wordt onder de arm genomen door een oudere heer, waarschijnlijk een veiligheidsagent (verre opvolger van de legendarische Sissink, die haar moeder placht te beschermen?) terwijl prins Willem-Alexander, met van de schrik opgetrokken schouders, zijn moeder achterna holt, evenals premier Balkenende. Deze foto stond, zij het in een kleiner formaat, ook in onze krant.

Op foto’s die seconden laten zijn genomen, verschijnt plotseling een jongere veiligheidsagent die de kroonprins in de goede richting leidt. Prinses Máxima, die op de eerste foto niet te bekennen was, komt in beeld, zo te zien zonder beschermer. De grote, zware man loopt nu, bedaarder, voor beiden uit. Was hij misschien ook een veiligheidsagent, wiens taak het was de weg te banen voor de vorstelijke personages?

In dat geval ging onder de ogenschijnlijke paniek een meesterlijke regie schuil. Die onttrekt zich echter aan het oog van de oppervlakkige krantenlezer, maar ook aan dat van de geroutineerden. Zo toonde de Frankfurter Allgemeine zo’n foto onder de kop: ‘Bomben (!) panik beim Kriegsopfergedenken’ en met het onderschrift: ‘Abruptes Ende der Schweigeminute: Auch die Königlichen Hoheiten konnten sich dem tumultarischen Geschehen nicht entziehen.’ Kortom, de foto’s geven niet de indruk van: als één man achter de koningin.

Ongetwijfeld zal de paniek op de Dam aanleiding geven tot grondige heroverweging van de wijze waarop de traditionele herdenking van de doden op 4 mei sinds jaren gehouden wordt. Overwogen zou zelfs kunnen worden of de Dam daarvoor wel de juiste plaats is: het nationaal monument is aan drie kanten eng omsloten door gebouwen, wat alleen al in veiligheidsopzicht geen gunstige plek lijkt.

Persoonlijk heb ik altijd iets tegen dat monument gehad. Ik vind die fallische zuil lelijk, maar dat is een kwestie van smaak. Bovendien vind ik de achtergrond niet waardig voor een monument dat geacht wordt een plaats van bezinning te zijn; afhankelijk van de gezichtshoek zie je op de achtergrond staan hotel Krasnapolsky, de Bijenkorf of de ABN Amro-bank.

Hoe hebben de vroede vaderen van een generatie geleden ooit die plaats kunnen kiezen? Er is iets kneuterigs in de Nederlandse cultuur – een voormalig koninklijk paleis staat dan ook op de Haagse Kneuterdijk – die te maken heeft met ’s lands ontstaan als republiek. Die cultuur gunde de latere koningen de weidsheid niet die zich elders in Europa zo uitbundig uit in alleeën, pleinen en monumentale gebouwen. Bovendien: die kosten allemaal zo veel! We zijn, Huizinga zei het al, een door en door burgerlijk volk. Nee, dan staat het beeld van Zadkine, dat het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 moet symboliseren, op een betere plaats.

Er is nog een ander bezwaar aan het monument. Ogenschijnlijk dient het de herdenking van de doden van de Tweede Wereldoorlog. De plechtigheid op 4 mei, dag waarop – althans in Nederland – die oorlog eindigde, bevestigt dit. Maar in werkelijkheid is het ook bedoeld ter herdenking van de gesneuvelden in controversiëlere oorlogen: Indonesië, Korea en andere gebieden waar Nederlandse militairen ingezet zijn. Dat maakt de concentratie die elke herdenking eist moeilijk. Wie of wat herdenken we eigenlijk?

Die vraag doet zich ook voor met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog. Wie heeft die oorlog nog meegemaakt – bewust en als volwassene die verantwoordelijkheid droeg (al was het slechts die van vader of moeder die een jong gezin door de Hongerwinter moest zien te slepen)? Die mensen lopen op z’n minst tegen de negentig, en over een paar jaar zijn ze dood.

De rest moet het doen met verhalen over die oorlog, en die verhalen dragen nog sterk het stempel van twee personen: koningin Wilhelmina, die geloofde in de mythe van één heldenvolk, en Lou de Jong, die ons een moralistisch zwart-witbeeld van de oorlog meegaf. De werkelijkheid was anders, maar wie herdenkt graag een volk waarvan de grote meerderheid, zoals trouwens ook elders, alleen maar probeerde te overleven?

Beter lijkt dus herdenking op de vele plaatsen waar werkelijk geleden en waar werkelijk verzet gepleegd werd: bijvoorbeeld bij de Dokwerker op het Amsterdamse Waterlooplein of in Westerbork of op de plekken waar verzetsmensen of gijzelaars werkelijk hun leven voor de goede zaak hebben verloren. Daar worden geen verhalen of mythes herdacht.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of online reageren op nrc.nl/heldring.