Voordat de bom valt

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton.

‘Bommen bestrijd je niet met bommen”, zei meneer Rurling, docent maatschappijleer van de avondmeao. „Je kunt demonstreren, je kunt boeken schrijven, maar het meest krachtige protest is muziek maken.” Hij legde de naald van een pick-up op een lp. Het nummer De bom van Doe Maar speelde. Meneer Rurling begon op de maat van de muziek te bewegen. Het was niet echt dansen maar meer een onbeheerst slingeren met ledematen. „Kom op mensen, laten we dansen en zingen voor een kernbommenvrije wereld.” Niemand van de 23 leerlingen stond op. We keken allemaal toe hoe meneer Rurling zich voor de wereldvrede in het zweet danste.

Op het groene schoolbord had meneer Rurling twee vlaggen getekend met daartussenin een dikke streep. De linkervlag was van de NAVO en de rechter was van de Sovjet-Unie, de witte krijtstreep daartussen het IJzeren Gordijn. Meneer Rurling vertelde over de wapenwedloop en de kernbommen die de NAVO-landen en de Oostbloklanden op elkaar hadden gericht. Er hoefde maar één gek op het knopje te drukken en alle kernbommen zouden tegen elkaar worden gebruikt. Alleen bacteriën zouden de kernoorlog overleven. Hoe ga ik mijn kind grootbrengen in een wereld waar mensen elkaar bedreigen met totale uitroeiing? dacht ik.

Het was niet de enige vraag die mij bezighield als toekomstige vader. Sinds Jolanda mij een week eerder had verteld dat we ouders zouden worden, zag ik allerlei problemen. De zwangerschap was niet gepland. Jolanda en ik wilden nog even wachten, maar nu waren we er dolgelukkig mee. Op de dag dat Jolanda het nieuws vertelde, zijn we meteen babykleertjes gaan bekijken en verzonnen we aan één stuk door namen voor ons ongeboren kindje. Maar na de eerste dagen van grote blijdschap begon het kwaad zich met mijn geluk te bemoeien. De duivel fluisterde mij van alles in het oor: jij bent ongeschikt voor het vaderschap, je weet niet hoe het moet, en denk maar niet dat het kind ooit jouw taal zal spreken. Na de les bleef ik niet hangen met de andere leerlingen maar ging direct weg. Ik reed naar het huis van mevrouw en meneer Tielemans waar Jolanda de avond had doorgebracht.

„Dries”, zei meneer Tielemans, „we hebben wat aardappelen en groenten voor je overgelaten. Het varkensvlees was van een varken, dus dat heb ik alvast maar voor je opgegeten.” Ik vulde mijn bord en ging aan de eettafel in de huiskamer zitten. Mevrouw Tielemans was met een breiwerkje bezig. Ze hield het omhoog en zei: „Kijk eens, Driss. Een mutsje voor de kleine. Schattig, hè.” Ik knikte en glimlachte ongemeend.

„Zo”, zei Jolanda. „En dit wordt zijn bedje.’ Jolanda en meneer Tielemans zaten op hun knieën bij een kinderwiegje. „Hier heeft Jolanda nog in geslapen”, zei meneer Tielemans. „Wat had jij een talent om mij wakker te houden, zeg. Ik hoefde maar even mijn ogen te sluiten of je begon al te krijsen. En al die liters melk die je omzette in kilo’s vuile luiers! Je hebt me aardig wat guldens en nachtrust gekost.” Meneer Tielemans legde zijn hand op Jolanda’s buik en grijnsde mij aan op een manier alsof hij iets van mijn verwarring vermoedde. „Het was de mooiste en plezierigste tijd van mijn leven. En nu staat jou hetzelfde te wachten, Dries. Ik ben jaloers op je.”