Staatsschuld nog decennia hoog

Veel industriële landen zullen nog jaren, zo niet decennia, met te hoge staatsschulden kampen. Zelfs als de economische ontwikkelingen nog relatief gunstig zijn. Nederland doet het goed doordat het in 2020 de staatsschuld al teruggebracht kan hebben naar een acceptabele 60 procent van het bruto binnenlands product (bbp).

Dat blijkt uit een schuldenstresstest die het World Competive Center van de Zwitserse businessuniversiteit IMD heeft gedaan. Daarbij is niet alleen gekeken naar de schuldenniveaus. Zo is Japan de grootste zondaar en zal het land het langst met een te hoge staatsschuld opgezadeld zitten, tot in 2084. Maar net als bij België (tot 2035) en Italië (tot 2060) is het grootste deel van die schulden in handen van binnenlandse investeerders. Dat maakt ze minder bedreigend, omdat zij hun eigen land niet failliet zullen laten gaan.

Bij landen als Griekenland en Portugal komt het overgrote deel van de schuldeisers uit het buitenland. En net als Spanje hebben ze volgens de IMD-onderzoekers een veel groter geloofwaardigheidsprobleem dan andere industriële landen, omdat zij door een gebrek aan economische groei, een tekort op de betalingsbalans en een gebrek aan buitenlandse investeringen minder mogelijkheden hebben hun schuld terug te betalen.

Het IMD noemt in navolging van Brussel en het IMF een staatsschuldniveau van 60 procent van het bbp acceptabel. De onderzoekers gaan ervan uit dat ieder land geleidelijk zijn tekort terugdringt, totdat er in 2015 al een evenwicht is bereikt. Vanaf 2015 gebruikt ieder land 1 procent van zijn bbp voor terugbetaling van zijn schulden en de economische groei keert terug naar het gemiddelde niveau tussen 2000 en 2009. De onderzoekers geven zelf aan dat het bereiken van begrotingsevenwicht en dezelfde groeiniveaus verre van zeker zijn en dat bedreigende factoren als vergrijzingskosten niet zijn meegenomen.

Volgens het onderzoek hebben 40 van de 58 onderzochte landen geen schuldenprobleem. Sommigen daarvan hebben een deugdelijk beleid gevoerd, zoals Zwitserland en Singapore. Veel opkomende landen hebben heel snel grote buitenlandse reserves opgebouwd, zoals China en in iets mindere mate India. Zelfs notoire schuldenlanden uit het verleden als Argentinië en Brazilië kunnen in 2015 al een aanvaardbaar schuldniveau hebben. Landen die lang met hoge schulden opgezadeld zitten, kunnen in grote problemen komen. „Zij kunnen hun concurrentievermogen zien teruglopen en de levensstandaarden kunnen bedreigd worden”, zegt onderzoeker Stéphane Garelli.

Interview De Grauwe: pagina 14

Breakingviews: pagina 16