Het was een mooie droom, één munt voor allemaal

Was de euro bedoeld als opmaat naar een politieke unie? Of was het een handige afspraak tussen landen?

Die onbeantwoorde vraag zorgt nu voor problemen.

Overleeft de euro de crisis? Gisteren zakte de Europese munt naar zijn laagste koers in vier jaar. Nu is die waarde (minder dan 1,22 dollar per euro) niet alarmerend: hij is nog steeds hoger dan de koers waarop de Europese munt elf jaar geleden werd gelanceerd.

Maar de snelheid waarmee de euro wegzakt, is wél reden tot zorg. Het maakt een voorlopig einde aan de droom dat de Europese munt een voorname rol zou spelen in de wereldeconomie – en daarmee de politieke reputatie van Europa in de wereld zou waarborgen. De eens veelbelovende uitdager van de Amerikaanse dollar wankelt aangeslagen naar de hoek.

In de tussentijd weet niemand meer goed waar de Europese munt ook alweer voor staat. Was de munt de opmaat naar een steeds hechtere politieke unie? In dat geval past de huidige crisis, hoe ironisch ook, prima in het Europese integratieproces.

Aangezien de lidstaten zonder druk niet makkelijk tot grote daden komen, zijn crises vaak nodig geweest om een volgende stap te nemen in de richting van een hechter Europa. Het was tenslotte de schok van de Europese valutacrisis van 1992, toen de nationale munten op de valutamarkt meedogenloos uit elkaar werden gespeeld, die leidde tot de invoering van de gemeenschappelijke munt, de euro.

Of was de euro eigenlijk alleen maar bedoeld als een paragraaf in een samenlevingscontract? De munt is dan slechts een afspraak tussen een groep van Europese landen die hun onderlinge zaken liever niet verstoord zagen door onberekenbare wisselkoersschommelingen. Handig, meer niet. Dat maakt van de euro slechts een middel – geen doel.

De ambivalentie over de euro lag in wezen al besloten in de blauwdruk die in de jaren negentig werd getekend. Wél een gemeenschappelijke munt en één centrale bank die over de waarde ervan waakt. Maar voor de rest vooral geen politieke arrangementen.

Sceptici waarschuwden destijds al dat Europa twee karakteristieken ontbeerde die de Verenigde Staten – per slot van rekening óók een muntunie – wel hebben.

De eerste is een relatief grote interne mobiliteit van mensen, die plaatsen verlaten waar het minder goed gaat en toestromen naar de plekken waar wel werk te vinden is. Het ontbreken van een taalbarrière helpt daar enorm bij, samen met het feit dat diploma’s en vergunningen overal gelden. Zo vindt er een automatische stabilisering van de economie plaats.

De tweede Amerikaanse karakteristiek is de federale herverdeling van de opbrengsten uit vooral de inkomstenbelasting. Ook dat stabiliseert.

Velen zien in het Amerikaanse mechaniek het voorbeeld voor een politieke unie als noodzakelijke voorwaarde voor een monetaire unie. De eurolanden schrokken daarvoor terug en stelden slechts twee disciplinaire maatregelen in: de verplichting van de lidstaten in een ‘stabiliteitspact’ om het begrotingstekort onder de 3 procent te houden. En de no bail out clause: een verbod om elkaar financieel te steunen in tijden van onheil.

Maar het stabiliteitspact sneuvelde al na drie jaar, toen zowel Duitsland als Frankrijk het zelf met voeten trad. En de no bail out clause is, met de redding van Griekenland, op zijn minst in de geest geschonden. Nederland maakte begin deze week 932.510.618 euro en 54 cent over naar de Grieken, als onderdeel van een eerste Europees reddingspakket van 14,5 miljard.

In de eurozone was het volgens de sceptici van het eerste uur wachten tot het fout ging. De zuidelijke landen kregen met de komst van de euro plots een zeer lage rentevoet in de schoot geworpen, vergezeld van een toestroom van kapitaal.

Dat ging lang goed: de binnenlandse consumptie kreeg een enorme impuls en de vastgoedmarkten maakten een vreugdesprong. Maar toen de economische crisis het tapijt wegtrok, bleken de arbeidskosten veel te hoog opgelopen, zakte de binnenlandse markt in en liep het begrotingstekort razendsnel op. De noordelijke landen, Duitsland voorop, letten juist goed op hun concurrentiepositie. Zij maakten gebruik van de nieuwe vraagimpuls in het zuiden.

Zo raakte de eurozone intern uit balans. De zuidelijke landen zijn nu niet concurrerend meer, kunnen door de euro hun munt niet meer in waarde verlagen zoals vroeger, hebben forse begrotingstekorten en een tekort op hun handels- en betalingsbalans. De noordelijke landen, Duitsland en Nederland voorop, hebben juist een uitstekende exportpositie en handelsoverschotten.

De twee groepen raken steeds verder van elkaar verwijderd. Nederland, gezien als een van de braafste jongetjes van de klas, betaalt een recordlage rente op zijn staatsschuld, terwijl de probleemlanden juist hun rentekosten hebben zien oplopen. Vandaag zal Spanje met angst en beven proberen om nieuwe staatsleningen te introduceren. Eergisteren was Nederland daar door overweldigende belangstelling van beleggers binnen een uurtje mee klaar.

Het illustreert hoezeer de stemming op de financiële markten is omgeslagen. Beleggers susten zichzelf de eerste tien jaar sinds 1999 in slaap met de gedachte dat een overheidsschuld in euro’s vrijwel risicoloos was – of het nu een Duitse was of een Griekse. Dat is verleden tijd: ze zijn met een schok wakker geworden en speculeren nu de eurolanden door middel van hun overheidsschulden meedogenloos uit elkaar.

Alleen een enorm steunpakket van in totaal 750 miljard euro en steunaankopen door de Europese Centrale Bank van wankelende (Griekse) staatsobligaties van tot nu toe 16,5 miljard hebben de zaak weten te redden. Maar iedereen beseft dat deze maatregelen tijdelijk zijn. De noordelijke landen willen niet onbeperkt blijven lenen aan hun zuiderburen. De ontevredenheid bij hun kiezers is al groot: in Duitsland wil de helft van de bevolking inmiddels de mark terug als nationale munt.

Wat te doen? Inmiddels circuleert een Duits plan om elk land naar Duits voorbeeld in zijn grondwet te laten vastleggen dat het begrotingstekort voortaan niet hoger mag zijn dan 0,35 procent. Zo’n ‘stabiliteitspact op steroïden’ haalt het vrijwel zeker niet tijdens een eerste bijeenkomst van een taakgroep, morgen in Brussel, die met ideeën moet komen om het beheer van de eurozone te verbeteren.

Dan is er de mildere variant, waarbij de Europese Commissie voortaan vooraf inzage moet krijgen in de begrotingsplannen van de lidstaten. Dat plan maakt, wellicht in afgezwakte vorm, meer kans.

Maar veel belangrijker is dat de zuidelijke landen zich aan hun schuldencrisis ontworstelen en hun concurrentiepositie verbeteren. Dat is vrijwel onmogelijk tegelijk te volbrengen. Het verhogen van de belastingen is politiek het minst moeilijk, maar drukt de probleemlanden economisch dieper in het slop en maakt ze nóg duurder. Het dramatisch verlagen van de arbeidskosten en arbeidsvoorwaarden scheelt geld en krikt de concurrentiepositie op, maar stuit op enorme maatschappelijke weerstand.

Het probleem is zo bijna onoplosbaar. Duitsland graaft zich steeds verder in. Gisteren kondigde het eenzijdig een verbod af op de meest wilde vormen van speculatie in staatsschuld, zonder dat met de Europese partners of zelfs alleen maar Frankrijk te hebben overlegd.

Met een terugtrekkend Duitsland wordt het bijna onvermijdelijk dat de probleemlanden in de eurozone hun overheidsschuld herstructureren. Dat wil zeggen: niet helemaal terugbetalen. Dat zou de euro verder terugwerpen van een gemeenschappelijke lotsbestemming tot slechts een arrangement: ieder voor zich, de munt voor ons allen. Het reddingspakket van 750 miljard koopt in dat geval alleen kostbare voorbereidingstijd voor een mogelijke desintegratie.

Wat zou er overblijven na zo’n explosie?

Een eurozone die in naam nog overeind staat, maar waarin ieder aan zichzelf is overgeleverd, van solidariteit geen sprake is en waar voorlopig elke politieke wil om verder te integreren ontbreekt.

Of een eurozone waar de grootste probleemgevallen zoals Griekenland zijn uitgestapt of uitgedwongen.

Of, als derde, een eurozone die alleen nog bestaat uit de noordelijke landen die het beste bij elkaar passen. Nederland zou er deel van uitmaken, dat wel. Maar die nieuwe euro zou, nog meer dan voorheen, een Duitse mark zijn met een regionaal tintje. In dat geval is het grootste recente experiment van de Europese integratie mislukt.

De Duitsers lijken er steeds meer klaar voor.