Gezocht: nieuwe linkse boodschap

In veel Europese landen zijn sociaal-democraten naarstig op zoek naar een eigentijds politiek ‘verhaal’ voor de kiezers. Sociale ongelijkheid lijkt het nieuwe speerpunt te worden. Maar: ‘Pas op voor blikvernauwing.’

Veel Europese sociaal-democraten kijken hoopvol naar de Nederlandse verkiezingsstrijd. Zullen Job Cohen en zijn PvdA erin slagen om de neerwaartse lijn om te buigen, na de klappen van de afgelopen jaren?

In de meeste Europese landen is de stemming ter linkerzijde uitgesproken somber. Labour is na dertien jaar naar huis gestuurd. In Duitsland boekte de SPD vorig jaar september het slechtste resultaat sinds de oorlog. In Frankrijk put de Parti Socialiste hoop uit een goed resultaat bij de regionale verkiezingen in maart, maar de interne verdeeldheid blijft groot en de geschiedenis leert dat presidentsverkiezingen (in 2012) een heel ander verhaal zijn. Europabreed leed centrum-links bij de verkiezingen voor het Europees Parlement vorig jaar juni een gevoelige nederlaag: in de zes grootste EU-landen won centrum-rechts.

Daarbij komt de worsteling met de boodschap. „De politieke sociaal-democratie heeft nu minder aantrekkingskracht dan ooit sinds de Tweede Wereldoorlog’’, constateert de Duitse socioloog en econoom Alfred Pfaller.

De Franse politicoloog Philippe Marlière rekent voor dat de sociaal-democraten de afgelopen vijftig jaar in Europa vrijwel constant terrein hebben verloren, op een opleving in de jaren negentig na. De sociaal-democratie verkeert in zo’n grote crisis, dat ze moet vechten voor haar overleven, zegt hij. „Heeft de sociaal-democratie iets onderscheidends te zeggen over veel van de problemen waar we nu mee te maken hebben? Nee.’’

Het refrein over een ‘leegte op links’ klinkt op veel plaatsen. Er is al vaak geconstateerd hoe paradoxaal dit is. De financiële crisis heeft de gebreken blootgelegd in een economisch model waarin het marktdenken centraal staat en de staat een bijrol speelt. Maar vrijwel nergens in Europa heeft deze crisis geleid tot een verschuiving naar links onder de kiezers.

In sommige landen komt dat omdat centrum-rechtse partijen oplossingen omarmen die traditioneel van links kwamen. President Sarkozy zei vorig jaar: „Het idee dat de markten altijd gelijk hebben was een waanzinnig idee […] Het is afgelopen met het laissez-fare.’’ Bondskanselier Merkel pleit er al geruime tijd voor om de speelruimte voor hedgefondsen aan banden te leggen. En zelfs de Britse Conservatieven wijzen dat niet meer op voorhand af.

Een andere verklaring is dat links zich in een aantal landen juist sterk maakte voor het neoliberale model van ‘meer markt en minder staat’ en dus meer individuele verantwoordelijkheid. Toen Blair in 1997 aan de macht kwam, beloofde hij een ‘derde weg’. De toenmalige Amerikaanse president Clinton sloot zich daar enthousiast bij aan. Er is eindeloos geconfereerd over wat deze derde weg nu precies inhield als theorie. De praktijk was in ieder geval dat linkse politici – tussen 1997 en 2002 was links aan de macht in twaalf van de toenmalige vijftien EU-lidstaten – een economisch beleid voerden dat traditioneel als rechts werd aangeduid.

In Groot-Brittannië dereguleerden Blair en zijn toenmalige minister van Financiën, Brown, de financiële sector. Bondskanselier Schröder vergrootte de arbeidsflexibiliteit met pijnlijke ingrepen in de sociale zekerheid. En in Frankrijk besloot premier Jospin, de man van de 35-urige werkweek, tot gehele of gedeeltelijke privatisering van een groot aantal overheidsbedrijven.

Zeker in Groot-Brittannië ging deze omarming van de vrije markt gepaard met een periode van economische groei. Maar de prijs daarvoor was toenemende sociale ongelijkheid. Berucht is de uitspraak van Blairs minister Mandelson: „We zijn er helemaal relaxed onder als mensen obsceen rijk worden – zolang ze hun belasting maar betalen.’’

Nu Labour is weggestuurd uit 10 Downing Street, is ook de ‘derde weg’ definitief ten grave gedragen. Overal in Europa proberen sociaal-democraten een 21ste-eeuwse update daarvan te formuleren. Vandaag gaat het in Berlijn over ‘een nieuw progressief verhaal’, vorige week in Barcelona over ‘Next Left’. De internetsite Social Europe debatteert over ‘de Goede Samenleving’. De Wiardi Beckman Stichting (WBS) probeert met het Policy Network, een internationale denktank die is opgezet door Labour, in het langlopend discussieprogramma ‘Amsterdam Process’ nieuwe fundamenten te leggen.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de landen. In Spanje zijn de socialisten nog steeds,vergeleken met de rechtse oppositie, de moderniseerders. In Zweden en Denemarken kampen de sociaal-democraten met een gevoel van overbodigheid, omdat niemand het sociale stelsel openlijk ter discussie stelt. In Italië verkeert centrum-links in een permanente staat van verwarring en machteloosheid.

Maar alle buitenlandse gesprekspartners onderstrepen de overeenkomsten in de programmatische worsteling van de sociaal-democraten, zeker in West-Europa. Deregulering van de arbeidsmarkt, globalisering, en de neoliberale invulling van het ‘project Europa’ hebben de verschillen in de samenleving vergroot.

De ‘verliezers’ in dit proces voelen zich niet meer beschermd door de sociaal-democratie, die in veel landen aanjager is geweest van de veranderingen. Bovenop het gevoel van economische onveiligheid kwam het gevoel van culturele onveiligheid. Massa-immigratie heeft meer diversiteit gebracht, maar de problemen die daarmee gepaard gingen, zijn niet gelijk verdeeld en leken aanvankelijk niet eens bespreekbaar.

Ongelijkheid lijkt het sleutelwoord te worden in de eigentijdse invulling van de sociaal-democratische ideologie. „Het focus is vernauwd”, zegt de Duitse hoogleraar sociologie Helmut Wiesenthal. „Het gaat nu vooral om sociale rechtvaardigheid, opheffing van de verschillen in inkomens en van mogelijkheden op de arbeidsmarkt.”

„Hét argument voor de komende jaren is de verdeling van de rijkdom”, beaamt zijn collega Marlière, enigszins uit toon met de sanering die socialistische regeringen in Griekenland, Spanje en Portugal moeten doorvoeren. „Er is welvaart genoeg, alleen hebben regerende sociaal-democraten geaccepteerd dat die rijkdom steeds ongelijker wordt verdeeld. Een steeds groter deel ervan is naar het financiële kapitalisme gegaan. En daar is het nooit genoeg, kijk maar naar de onwerkelijke inkomens en bonussen in die sector. We weten hoe we rijkdom moeten scheppen, nu moeten we een veel betere verdeling van de rijkdom hebben. Daarvoor is meer regulering nodig.”

Verwante thema’s die veel terugkomen zijn de herwaardering van de staat, beperking van het marktdenken, en een breed welvaartsbegrip waarbij niet alleen maar wordt gekeken naar groei en productie.

Op deze punten blijft het vooralsnog bij voorzetten in het debat. Zoals Wouter Bos eerder dit jaar deed in zijn Den Uyl-lezing. Bos zei dat hij ervan overtuigd is geraakt „dat het soms makkelijker en beter is om publieke belangen voor de markt af te schermen dan te pogen de markt te temmen teneinde de publieke belangen niet te schaden”. Maar een uitgewerkte heroverweging over wat dit betekent voor deregulering, privatisering en eventueel renationalisering is nog nergens in Europa niet zichtbaar.

Een man die veel invloed heeft op dit debat, is de Britse historicus Tony Judt. Ondanks zijn dodelijke spierziekte publiceerde hij in maart een veelbesproken pamflet: Ill fares the land. Hij zegt daarin: „We hebben lang zoiets als sociale democratie in de praktijk gebracht, maar we weten niet meer hoe we dat moeten verkondigen.”

Ook Judt stelt het opheffing van ongelijkheid centraal, en koppelt dat aan een pleidooi voor een herwaardering van de publieke zaak. Hij constateert bij links een „uitgesproken tegenzin de publieke sector te verdedigen met een beroep op collectieve belangen of principes”. Dit moet veranderen, bepleit hij. Laat sociaal-democraten nog eens goed nadenken over de vraag of de samenleving wel het beste af is als openbaar vervoer, post, zorg en andere voorzieningen met een publiek belang als geprivatiseerde ondernemingen op afstand van de overheid zijn gezet.

Politiek filosoof Rutger Claassen, die ook betrokken is bij de Wiardi Beckman Stichting, onderschrijft Judts kritiek op marktwerking. Maar hij waarschuwt voor een terugval in oude reflexen. „Sociaal-democraten moeten oppassen hun blikveld niet te vernauwen tot sociale ongelijkheid. Er zijn andere belangrijke thema’s: milieu en duurzaamheid, verdere democratisering, immigratie. Daar hoor ik veel te weinig over.”

Ook zijn Franse college Marlière, die lesgeeft in Londen, constateert dat massa-immigratie op de achtergrond in de zoektocht naar een nieuw sociaal-democratisch verhaal - ook al is het in bijna alle Europese landen een belangrijke politieke thema geworden. „Je ziet dat we nog steeds worstelen met dit thema,’’ zegt Marlière, de Franse politicoloog. „Europa heeft immigranten nodig, maar er is nooit goed uitgelegd waarom. Dat is een gebrek aan moed en verantwoordelijkheid.”

Nederland heeft in deze Europa-brede discussie een aparte rol. De WBS is internationaal gezien een van de actiefste sociaal-democratische denktanks. Bovendien, zegt René Cuperus van de WBS, „is Nederland interessant omdat maatschappelijke veranderingen door het systeem van evenredige vertegenwoordiging meteen politiek zichtbaar worden”.

Volgens de peilingen gaat het in Nederland voorspoedig met de sociaal-democratie. Misschien komen er een paar goeie maanden aan. Ook bij verkiezingen in Tsjechië (28 en 29 mei), in Slowakije (12 juni) en België (13 juni) staat centrum-links er gunstig voor. In Zweden maakt ‘rood-groen’ in september goede kans de macht over te nemen van de zittende centrum-rechtse regering.

Misschien kunnen electorale opstekers een impuls geven aan het ideologische debat. Maar Cuperus wijst erop dat de grote bezuinigingen die vrijwel overal voor de deur staan, de sociaal-democratische herijking doorkruisen. „Net nu je zou willen pleiten voor een grotere rol van de staat, moet er ingrijpend worden bezuinigd.”

Lees via nrc.nl/wereld mee met een aantal discussies.