'Ein Berliner'

Mijn generatie kan zich de toespraak van John F. Kennedy op 26 juni 1963 in West-Berlijn nog goed herinneren, al was het alleen maar door dat ene repeterende zinnetje: „Ich bin ein Berliner.” De Muur was twee jaar eerder opgericht en Kennedy wilde de Berlijners een hart onder de riem steken.

Lopend door Berlijn vroeg ik me af waar Kennedy die beroemde toespraak precies had gehouden. Ik herinnerde me van de filmbeelden een enorme, uitzinnig juichende mensenmassa, samengeperst op een plein. Was het in de buurt van de Kurfürstendamm geweest? Ik keek het na en zag dat het buiten het centrum was geweest, in de voorstad Schöneberg, waar het stadhuis van het toenmalige West-Berlijn stond.

Zou er in die buurt nog iets aan dat fameuze bezoek van Kennedy herinneren? Die dag waarover Kennedy zelf op de terugweg tegen een adviseur zei: „Een dag als deze zullen we nooit meer meemaken zolang als we leven.” Op naar Schöneberg dus; er is op de Pariser Platz een Kennedymuseum, maar ik wil naar de oerplek zelf.

Verbaasd sta ik voor het raadhuis, enkele meters lager dan het geïmproviseerde podium waarop Kennedy en andere beroemdheden als Adenauer en Brandt destijds stonden.

Binnen had een ambtenares mij uitgelegd dat zij geen gebruik hadden gemaakt van het stenen balkon omdat het te klein was. Voor mij strekt zich veel plaveisel uit, maar geen echt plein, ook al heet het dan nu de John-F.-Kennedy-Platz.

Er is een parkeerstrook, een nauwe, drukke vierbaansweg waarlangs grauwe, nogal onderkomen flatgebouwen staan en een straat die loodrecht op die vierbaansweg staat.

Lelijker kan een ‘plein’ niet zijn. De locatie is al die jaren nauwelijks veranderd, vertelde de ambtenares. Dezelfde wegen, dezelfde flatgebouwen. Op die grote dag in 1963 werd het hele gebied afgezet en konden de wegen volstromen met publiek, ongeveer 300.000 mensen. Zo ontstond de illusie van een majesteitelijk plein.

Wat Kennedy destijds niet kon zien, is het enige pand dat nu nog aan zijn optreden herinnert: het onooglijke restaurant Kennedy Grill tegenover het raadhuis. Er is ook een Kennedykamer in het raadhuis, zei de ambtenares, maar die was vandaag leider gesloten. Ze pakte achter zich een dun mapje informatie met een zwart-witfoto van de speechende Kennedy. Nee, ik mocht het niet meenemen, het was voor intern gebruik.

In de karakterloze buurt rond het stadhuis vraag ik in winkeltjes naar ansichtkaarten van de toespraak. Verbaasde blikken, ach, das war damals. Elders in de stad stuit ik een dag later in een bak met afgeprijsde boeken op een boek uit 2003: Kennedy in Berlin van Andreas W. Daum, een minutieuze beschrijving van het hele bezoek, mét foto’s. Zelden heb ik zo’n informatief boek over één dag gelezen.

Daaruit leer ik dat Kennedy de zin „Ik bin ein Berliner” vermoedelijk zelf heeft bedacht, dat hij hem al eerder met een variant in eigen land had gebruikt en dat hij hem kort tevoren aan zijn toespraak toevoegde.

Thuis kijk ik op YouTube nog eens goed naar de toespraak. Vooral het einde is briljant. Hij zegt die zin, frommelt een tekstkaart in zijn zak en stapt zonder een spoor van triomfalisme opzij.

Vijf maanden later was hij dood.