Wellicht accepteren dat er meer is dan één waarheid

Elke woensdag wordt een filosofisch dilemma besproken naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de publieke moraal

Staatssecretaris Jack de Vries van Defensie is geen staatssecretaris meer. Vorig week moest hij het veld ruimen nadat aan het licht was gekomen dat hij een buitenechtelijke relatie onderhield met een ondergeschikte. Heel kort bleef De Vries bungelen, totdat hij inzag dat zijn positie onhoudbaar geworden was. Achter de schermen zal er, alle ontkenningen ten spijt, door zijn partij indringend op hem zijn ingepraat.

Achter diezelfde schermen zal er ook wel wat gemeesmuild zijn bij andere partijen, vooral de PvdA. Het was immers De Vries die tijdens de verkiezingen van 2006 de strategie bedacht om Wouter Bos consequent een ‘draaikont’ te noemen. Bos kon daar niet tegen, het CDA won op punten, en de verhoudingen werden nooit meer wat ze hadden kunnen zijn. De val van De Vries heeft voor de socialisten ongetwijfeld de zoete bijsmaak van de genoegdoening.

Is dat mooi van die socialisten? Nee natuurlijk niet, en daarom zullen ze hun leedvermaak zorgvuldig binnenskamers houden. Was het mooi van Jack de Vries hun zo’n loer te draaien? Ook niet echt – al is dat wel tot de core business gaan behoren van de campagnestrateeg. Maar juist omdat hij strateeg is, houdt ook hij zijn manipulaties liefst binnenskamers, want als ze aan het licht komen, keren ze zich licht tegen hemzelf. En was het mooi van De Vries ook binnen zijn huwelijk een loopje te nemen met trouw, waarheid en meer van dat moois? Al evenmin, en daarom moest ook hier de zaak verborgen blijven – met des te verwoestender gevolgen toen ze toch in de openbaarheid kwam.

Hoeveel gemakkelijker zou het niet geweest zijn wanneer Nederland er in dit soort kwesties een Mitterrand-moraal op na gehouden had. Ooit werd die Franse president de vraag voorgelegd of het waar was dat hij er sinds jaar en dag een minnares op nahield en bij haar zelfs een dochter had. Het antwoord had niet korter kunnen zijn: Et alors? Na dat ‘Nou en?’ heeft geen Gallische haan ooit nog naar de affaire gekraaid. Bij Mitterrands begrafenis zag het ontroerde Franse volk echtgenote èn minnares gezusterlijk achter de baar lopen.

Vaak worden die verschillen in publieke moraal toegeschreven aan het onderscheid tussen hypocriet katholicisme en steil protestantisme. Daar zit iets in, ook al was Frankrijk al in de negentiende eeuw het eerste land om de godsdienst massaal vaarwel te zeggen. Maar een morele erfenis poets je niet zo snel weg. Ook na meer dan een eeuw van secularisatie wordt ten zuiden van de knoflookgrens nog altijd gemakkelijker geaccepteerd dat er in het persoonlijke en politieke leven meer dan één waarheid en misschien ook wel meer dan één moraal kunnen bestaan. En dat het weinig voordeel heeft die koste wat kost onderling op één lijn te brengen.

Dat laatste klinkt verwonderlijk. Hebben één waarheid en één moraal niet de charme van de helderheid, de eenduidige richtlijn en de deugdzaamheid? Wordt daarmee niet simpelweg een betere wereld geschapen? Van dat laatste is de westerse wereld steeds meer overtuigd geraakt, ook in Frankrijk. Nicolas Sarkozy hield zijn minnares al niet meer op de achtergrond. Hij scheidde en huwde ordentelijk opnieuw – al kan daar ook de nodige pronkzucht aan te pas gekomen zijn.

Het ideaal van de betere wereld en een waarlijk deugdzame mens is typisch modern, zo heeft de Canadese filosoof Charles Taylor betoogd. Al vanaf de late Middeleeuwen wilden de kerkelijke overheden het volk graag écht gelovig, moreel en gewetensvol maken. De Hervorming was de ironische uitkomst van een katholieke wil tot geestelijke volksverheffing.

Dat werd, buiten de Roomse kerk om, ten slotte een doorslaand succes. Zozeer dat die idealen het geloof ruimschoots hebben overleefd. Terwijl almaar minder mensen godsdienstig zijn, prenten wij elkaar de plicht van gewetensvolheid, openheid, consequentie en moraliteit steeds dieper in. Ter rechterzijde gebeurt dat onder de noemer van ‘normen en waarden’, aan de linkerkant onder die van emancipatie, respect en politieke correctheid.

Redelijkerwijs is er tegen die hoge moraal weinig in te brengen. Maar helaas is het leven niet altijd even redelijk. Shit happens, en zo kon ook een christelijk-gereformeerde staatssecretaris verliefd worden op zijn adjudant. Gewetensvol had hij zich daartegen kunnen verzetten, standvastig in de moraal van normen en waarden. Maar het vlees eist zijn tol en een al te deugdzaam mens wordt eerder een Jan Salie dan een jongen van Jan de Witt.

Een Jan Salie was Jack de Vries niet; daarom kon hij zo’n goede spindoctor én echtbreker worden. En daarom toont zich in hem het failliet van het protestantse ideaal van deugdzaamheid, dat intussen het ideaal van de hele moderniteit geworden is. Was hij maar van oorsprong een katholiek geweest, zoals Mitterrand. Dan hadden we al zijn gesjoemel moeiteloos kunnen verklaren.

Maar nu duikt de ondeugd op in het hart van christelijk-gerformeerde normen en waarden, die hun donkere schaduw kennelijk nooit helemaal de baas zijn geworden. Dat ‘zondigheid’ noemen lost niet zoveel op. De vraag is welke plaats je die zondigheid vervolgens toewijst. Je kunt haar buiten het systeem gooien, in het rijk van de antichrist of zijn hedendaagse substituten, als iets wat eigenlijk niet zou mogen bestaan. Dat is de protestants-moderne oplossing, even rechtlijnig als naïef. Want wie zo denkt, zal tegenover zijn eigen misstappen steeds weer opnieuw met de mond vol tanden staan – en mét zijn pekelzonden zijn hele moraal twijfelachtig zien worden.

Zo radicaal is de katholieke moraal volgens Taylor nooit geworden. Die moraal vond wel dat mensen deugdzaam moesten leven, maar bleef zich er altijd van bewust dat dat maar in heel beperkte mate zou lukken. De Stad van God, zoals de kerkvader Augustinus het noemde, zou nooit helemaal op aarde gevestigd kunnen worden. En dus kunnen we er maar beter rekening mee houden dat shit happens, zonder daarvan al te veel ondersteboven te raken.

Mitterrands ‘Et alors?’ was daarvan de perfecte uitdrukking, zoals het politieke einde van Jack de Vries de protestantse tegenkant daarvan goed illustreert. Als bewindspersoon had hij zich vatbaar gemaakt voor chantage, zo luidde het zakelijke argument voor zijn aftreden. Dat klopte, maar alleen omdat een strenge moraal hem chantabel maakte. Met wat lossere zeden had De Vries de zaak Frans-presidentieel kunnen afdoen.

Dat is niet de lijn van een partij die haar kaarten op normen en waarden zet en daarin weinig speelruimte toelaat. Het partijpolitieke argument voor het terugtreden van De Vries was dan ook dat hij zich als CDA’er ongeloofwaardig had gemaakt. En ook dat klopte. En opnieuw wijst dat op de kwetsbaarheid van het hele ideaal, dat ertoe gedoemd is voortdurend te botsen met de werkelijkheid.

Maar dat ideaal mag dan nog zo onleefbaar zijn, het is wel richtinggevend geworden voor onze hele cultuur. Zelfs Wouter Bos kon er zich niet aan onttrekken, toen zijn politieke tegenstanders hun verwijt van ‘draaikonterij’ in stelling brachten. Onoprechtheid is in deze moraal zo ongeveer het ergste wat je iemand verwijten kunt.

Het zou mooi zijn als deze beschouwing zelf een moraal zou hebben opgeleverd. Bijvoorbeeld dat we moeten oppassen met het ideaal van zuiverheid dat de politiek op het moment van links tot rechts in zijn greep heeft. Maar zo’n moraal-tegen-de-moraal zou op haar beurt al snel een gevecht tegen windmolens worden. Voorlopig zit er weinig anders op dan het heersende puritanisme te verkroppen – en het moment af te wachten waarop de wal het moralistische schip gekeerd zal hebben.