'Kriegst du eine'

We liepen door de mooie woonwijken ten zuiden van de Kurfürstendamm. Daar kreeg Berlijn voor mij de intimiteit die óók bij een wereldstad hoort. Eerder had ik dat alleen ervaren in Prenzlauer Berg, de sfeervolle wijk in voormalig Oost-Berlijn. Alsof je door Amsterdam-Zuid liep, of een betere wijk in Parijs of rond Central Park in New York.

Ik had dat nogal gemist in Berlijn, het is een stad waarvan je je steeds afvraagt waar nu eigenlijk het hart zit. In ieder geval niet op lelijke pleinen als Potsdamer Platz of Alexander Platz en evenmin op die overschatte Unter den Linden, in mijn reisgids een ‘majesteitelijke avenue’ genoemd.

Op de Ludwigkirchplatz bleef ik staan voor een plataan waaraan een briefje van een jongen hing. „Ich habe am 9.5.2010 gegen 12.45 meine Cakewalk verlohren. Finderlohn 2 euro!!” Ondertekend: Leonard Halmheizer.

Opeens hoorde ik achter mij opgewonden, luide stemmen. Een dikke, slonzige veertiger stond met zijn grote, bruine hond bij de uitgang van een kleine speeltuin. Zijn vrouw liep met een kinderwagen voor hem uit. Een jongere man, op een verzorgde manier sportief gekleed, had zich naar de dikke man gekeerd en zei verbeten: „U moet uw hond hier niet uitlaten.” Hij werd vergezeld door een man van zijn leeftijd die een kind op de arm hield.

„Die hond doet niemand iets”, zei de veertiger.

„Hij kan gaan poepen tussen al die spelende kinderen.”

„Maar hij heeft dat niet gedaan.”

„Dat doet er niet toe, hij kán het doen.”

Tot zover was er nog niet zo erg veel aan de hand. De ene burger wijst de andere terecht. Moet kunnen. Het probleem was dat de oudste van de twee geen zin had om zijn ongelijk te bekennen, ook al beklemtoonden verbodsbordjes bij de ingang ondubbelzinnig dat de ander het grootste gelijk van Berlijn had.

„Het zal wel aan je aard liggen dat je je er zo druk over maakt”, zei de veertiger.

Aard? Wacht even, was dit een toespeling op de mogelijke relatie tussen de jonge man en zijn leeftijdgenoot met het kind op de arm? Ik hield mijn adem in.

„Met mijn aard heeft dat helemaal niets te maken”, zei de jongere man, ziedend nu. Hij ging dichter bij de ander staan en boog zijn hoofd naar hem toe. „Jij moet gewoon doen wat er op die bordjes staat en hier met die rothond wegblijven. En als je nou niet ophoudt, dan krijg je een klap voor je kop (kriegst du eine).”

„Doe dat vooral”, schreeuwde de veertiger, „dan krijg je er meteen een terug.”

Hij was bijna niet meer te houden, blij als hij was dat hij kon aanvoeren daadwerkelijk bedreigd te worden.

„Ik zal de volgende keer de politie waarschuwen”, riep de jongere man, en hij liep weg, achter zijn vriend-met-kind aan. De vrouw van de veertiger was al doorgelopen met haar kinderwagen waarin hun kind inmiddels krijsend lag te huilen.

De jongere man wilde de verstandigste zijn, maar je kon merken dat hij door de onredelijkheid van de ander grote moeite had met die rol. Hij stond al verderop in de Pfalzburger Strasse toen hij zich nog eens omdraaide en zijn middelvinger opstak.

„Nu ga ík naar de politie”, riep de veertiger terug, „want ik beschouw dit als een belediging!”

Korte lontjes zijn geen Nederlandse uitvinding.