Het publiek walgt van vuilnisjournalistiek

Niet de rechter maar de mensen maken uit wat fatsoenlijke journalistiek is. De bladen schikken zich. Daar heeft Pechtold gelijk in, vindt Henri Beunders.

Alexander Pechtold is de redelijkheid zelve. Na de vuilnisbakkenjournalistiek van de Audax-bladen Weekend en HP/De Tijd belde hij zondag Weekend-hoofdredacteur Marc van der Linden op. En faxte hem beleefdheidshalve het kritische artikel dat hij de volgende dag in de Volkskrant zou publiceren. De kern: hij wil niet dat de rechter bepaalt wat fatsoenlijke en onfatsoenlijke journalistieke methoden zijn. Pechtold prefereert een discussie over de grenzen van de privacy van anderen met de verantwoordelijke journalisten zelf, en met ‘de samenleving’.

De vraag is wel: was Pechtold niet té redelijk?

Zelfs de pacifistische Bob Dylan reageerde heftiger toen hij in de jaren 60 werd achtervolgd door fans en onderzoeksjournalisten. Voortdurend moest hij verhuizen. Journalist A.J. Weberman hield de wacht voor Dylans appartement om in de vuilniszakken te kunnen wroeten. Garbology noemde hij deze onderzoeksmethode, die hij ook toepaste op Richard Nixon en Norman Mailer. Dylan ging hem uiteindelijk te lijf. Het respect voor hem groeide en die Weberman gold hierna als een loony, een halve zool.

Je vuilnis doorzocht vinden is als een inbraak waarbij de inbreker allerlei doosjes en laatjes heeft opengemaakt, en als dank ook nog iets heeft achtergelaten op de wc. Het slachtoffer voelt zich bezoedeld. Als de D66-leider dinsdagavond aan de tv-tafel van Knevel & Van den Brink die Van der Linden een muilpeer had verkocht of nog een vuilniszak had uitgestort, maar dan over hem, had hij er nu vast vijf zetels bij gehad.

Maar Pechtold heeft wel gelijk. Over privacy en fatsoen spreekt de rechter meestal niet het laatste woord. Dat spreken ‘de mensen’ zelf. Als zij nog niet zijn uitgediscussieerd of iemand wel of niet de ethische norm heeft overschreden, of het vonnis niet accepteren, praten ze er net zo lang over tot er wel consensus is bereikt (of iets anders de dringende aandacht vraagt). In 1995 accepteerden vele Amerikanen de vrijspraak van O.J. Simpson niet, en tien jaar later niet die van Michael Jackson. Beiden werden uit de sociale gemeenschap gestoten. En in 1998 riepen de Amerikanen na een half jaar Monicagate tegen de voortlebberende media, met al die pornografische ‘situatieschetsen’: „Basta, nu weten we het wel, hou ermee op!” En, commercieel als ze zijn, gehoorzaamden de media.

Juridisch liggen zaken van moraal en fatsoen vaak ingewikkeld. In de VS heeft zelfs het Hooggerechtshof zich moeten buigen over de vraag van wie huisvuil nu eigenlijk is. Er is uiteenlopende jurisprudentie over. Hetzelfde geldt voor de relatie journalist en afval. Wie bij een afvalverwerker chemisch afval vindt of in ziekenhuisafval radium, krijgt een journalistieke prijs. De ethische vraag is altijd die van het doel en de middelen, ofwel het maatschappelijk belang. Dat geldt ook voor de affaire-Jack de Vries en de Journaalbeelden van de negenjarige Ruben in zijn Tripoli-bed en het telefonische Telegraaf-interview met hem. Als Ruben had gezegd dat hij een gemaskerde man in het gangpad van het vliegtuig had zien lopen, was de reactie heel anders geweest dan nu hij zei dat hij pijn had aan zijn been.

De talloze boze mails aan de NOS en de honderden opzeggingen bij De Telegraaf bewijzen dat de burger in moreel opzicht nog niet helemaal cynisch is of levensmoe. En vooral dat volkse verontwaardiging en een consumentenboycot de beste straf zijn voor commerciële bedrijven. Van De Telegraaf kan men zeggen dat de krant de emoties had opgelierd, en de giek zelf terug in het gezicht kreeg. Het cynisme van uitgever Audax lijkt grenzeloos. Dat betekende dat de krant zich razendsnel excuseerde, en dat Van der Linden ook direct liet weten dat het een ‘eenmalig experimentje’ was. Geld stinkt niet, altijd een gang naar Canossa waard.

Men kan de verontwaardiging hypocriet noemen of zelfs hysterisch. Zeker is dat al die twitterende politici – Pechtold kwekt zelf over zijn vrouw, dochter en de vermiste poes – de autobiografie van Bob Dylan eens hadden moeten lezen. Die raakte verstrikt in zijn zelf gecreëerde imago, werd slaaf van zijn roem, en raakte de controle kwijt over zijn identiteit. Als politici klagen over inbreuk op hun privacy, moeten ze zelf wel aangeven waar die grens ligt.

En het lijkt er inderdaad op dat in de onzekere tijden van terreurangst, Wildersretoriek en verdwijnende zekerheden burgers overgevoelig zijn geworden voor elke ongewenste prikkeling. Vijf jaar nadat Geert Mak zijn pamflet ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’ heeft geschreven, is iedereen lichtgeraakt.

Toch is vreugde over de morele verontwaardiging meer op zijn plaats dan bezorgdheid. Ze nuanceert ook de gangbare opvatting binnen het weldenkend deel der natie dat wat ‘het volk’ roept meestal emotionele oprispingen zijn van onderbuikgevoelens, van dat ‘gesundes Volksempfinden’. De historische werkelijkheid is dat ‘het volk’ – of ‘het populisme’ – de eeuwen door op gezette tijden als correctiemechanisme heeft gediend om de arrogantie van de machthebbers af te straffen. Ook, zoals nu, van de mediamachthebbers.

Dat ‘Volksempfinden’ is dus, soms, inderdaad gezond. Het bewijs? De man die er de belichaming van wordt geacht, Geert Wilders. Over zijn kwetsende term van de ‘kopvoddentaks’ heerste ook onder diens eigen PVV-aanhang grote wrevel, zo niet afkeuring en weerzin. Sindsdien daalt hij in de peilingen. Hier verloor hij van ‘de samenleving’, die geeft vertrouwen, maar neemt die ook weer terug. En zo hoort het in een mondige, assertieve maatschappij.

Een rechterlijk vonnis heeft zijn onmisbare eigen kracht, maar in geval van kwetsen en goede smaak is het effectiever als ‘de samenleving’ over journalisten en uitgevers van het Audax-type roept: ‘Vuilnisman, kan deze zak ook mee?’

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit.