Altijd in de houding

Ik stond in de houding. Een andere houding kende ik niet als ik voor oom Theo stond. Rug recht, armen langs je lichaam. Na de scheiding van mijn ouders was oom Theo mijn voogd geworden. Hij was kolonel in het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) geweest en gewend aan bevelen geven. Dat een vrouw alleen een jongen opvoedde, vond hij maar niks.

„Sta recht. Je lijkt wel een meid.” Dat was natuurlijk het laatste wat je wilde zijn in de ogen van oom Theo.

Zijn schoonzonen hadden niet op de KMA gezeten zoals hij. Zij zaten wel bij een krijgsmacht. De een was marinier, de ander was bij de marine. Na een paar borrels liet hij ze merken wat hij van ze vond. Dan kwamen ze boos in de keuken klagen bij hun vrouwen.

Oom Theo vond de militairen van nu maar papieren krijgers. Nee, dan in zijn tijd. „Ja”, zeiden de schoonzonen, stoom afblazend in de keuken: „Dat was klewangs tegen kanonnen.” Hun vrouwen drongen erop aan dat toch vooral niet tegen oom Theo te zeggen. Na de zoveelste borrel werd het toch gezegd.

Door het gebulder van oom Theo heen riep zijn vrouw altijd precies op tijd en met zachte stem: „Jongens, het eten is klaar.” En met verhitte koppen werd stilzwijgend een wapenstilstand overeengekomen. Bij de nasi koening hoorde vrede en die kwam ook. Iedere week weer en op dezelfde tijd.

Mijn vader was er ook niet gerust op dat een vrouw alleen een jongen goed kon opvoeden. „Hij wil je van mij afpakken”, zei mijn moeder. Ik kon dat niet beoordelen. Maar mede door deze vrees lette mijn moeder altijd goed op mijn hygiëne, uiterlijk en gedrag. Altijd schone nagels en met twee woorden spreken.

Ik was het enige jongetje op school met gescheiden ouders. En volgens mijn moeder werd er daarom ‘op mij gelet’.

Op een dag moest ik bij het hoofd van de school komen. Mijn vader had Jeugdbescherming ingeschakeld en die hadden op school geïnformeerd. Het schoolhoofd vroeg me vriendelijk hoe het ging. Ik stond in de houding voor hem, zo had oom Theo het gewild: rechtop, armen langs m’n lichaam.

Het schoolhoofd was een vriendelijk man. Ik merkte dat hij graag zou willen dat ik anders ging staan. Ik mocht me ontspannen, er was niets. Maar wat hij ook zei, ik kon alleen met ‘ja meneer’ en ‘nee meneer’ antwoord geven en in de houding blijven staan.

Zelden zullen twee mensen die elkaar zo ter wille waren, zo ver van elkaar af hebben gestaan.