Zijn hoertje draagt reeds het 'Vermeerse' licht

Tentoonstelling De Jonge Vermeer. Mauritshuis, Korte Vijverberg 8, Den Haag. T/m 22 augustus. Ma t/m za 10-17, zo 11-17 uur. Catalogus 21,95. Inl: 070-3023456, www.mauritshuis.nl ****

De orgie kan beginnen. Halve ossen zijn aangerukt. Dode patrijzen, parelhoenders, pauwen en konijnen hangen als gordijnen aan het plafond – klaar voor het spit. Manden, kasten, schalen puilen uit van de artisjokken, asperges, sinaasappels, perziken en ander fruit. Veel zeventiende-eeuwse kunstenaars die het Bijbelse verhaal van Christus op bezoek in het huis van Martha en Maria hebben geschilderd, leefden zich uit op dat voedsel. Daar bewezen ze hun meesterschap mee. De personen om wie het verhaal draait, waren niet meer dan een excuus.

Wie beter wil begrijpen hoe groot en origineel het talent van de piepjonge Delftse schilder Johannes Vermeer (1632-1675) was, moet bij deze context stilstaan. Want anders dan zijn collega’s – zo blijkt op een kleine maar precieuze presentatie van drie van Vermeers jeugdwerken in het Mauritshuis – schilderde Vermeer het als een sober stilleven. Niet het voedsel dat Martha geserveerd zou kunnen hebben is zijn onderwerp, maar de drieëenheid van Christus, Maria en Martha, de lichtval, de stofuitdrukking van linnen, brood, huid. Een hoofddoek van haast doorschijnend wit, een beschaduwd gezicht dat afsteekt tegen een rul tafellaken, een oogopslag - op Vermeers schilderij uit 1654/1655 zijn het elementen van contemplatie en verstilling. Daarin herken je de latere Vermeer, die geen Bijbelse vertellingen meer schildert, maar in zichzelf verzonken interieurportretten maakt en atmosferische stadsgezichten als in zijn Gezicht op Delft dat hij rond 1660 maakte.

Drie schilderijen zijn in het Mauritshuis bijeengebracht. Eén uit Edinburgh, één uit Dresden, en één uit het Mauritshuis zelf. Het zijn schilderijen, gemaakt nadat Vermeer zichzelf december 1653 - hij was 21 jaar - inschreef als meesterschilder bij het Delftse gilde. Voor het eerst zijn ze samen in Nederland te zien. Twee van hen zijn net piekfijn gerestaureerd, met kleuren zo fris dat je je ogen er nauwelijks van af kunt houden. Alle drie de schilderijen zijn raar. Dat komt niet alleen door hun formaat dat zoveel groter is dan dat van de doeken die de kunstenaar later schildert. Dat komt ook door het onderwerp, en door de soms nog onbeholpen manier van schilderen.

Het duidelijkst is dat in het vroegste werk: Diana en haar nimfen (1653/1654) uit het Mauritshuis. Dit is het enige bekende werk van Vermeer waarin een mythologische scène wordt uitgebeeld. Vermoedelijk wilde de jonge kunstenaar aantonen wat hij in huis had, want ‘historiestukken’ werden in de zeventiende eeuw hoog gewaardeerd en de jonge schilder wilde faam verwerven. Vermeer doopte zijn penseel vol enthousiasme in okergeel, violet, blauw, bruin en groen – en schilderde behoorlijk mis. Het is aandoenlijk te zien hoe stuntelig hij met borsten, ruggen en handen in de weer is. Diana’s borsten groeien uit haar sleutelbeen, de rots waarop ze met haar gezelschap rust lijkt eerder op een mand wasgoed – zoals conservator Edwin Buijsen in de catalogus schrijft – dan op gesteente. Af en toe flonkert er al wel een stukje van de latere Vermeer op: in de schittering van een schaal met water, de glans van een jakje.

Ook het tweede schilderij op de presentatie – Christus op bezoek bij Martha en Maria – kent een paar van die anatomische fouten. Maar hier is de ‘Vermeerse’ rust, zoals boven gezegd, al veel meer ingedaald. En daarom is dit doek zo’n mooie opmaat voor het laatste, derde jeugdwerk: De Koppelaarster uit de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden.

Dit schilderij, gedateerd in 1656, toont een vrolijke bordeelscène. Een jonge vrouw wordt in haar borst geknepen, er is wijn, muziek, een muntstuk gaat van de ene in de andere hand. Toch kan al die menselijke activiteit niet verhullen waar het Vermeer werkelijk om gaat. Dat is de lichtgele kleur van de jurk die het hoertje draagt – zo zoet en zacht dat je het meisje evengoed in een later schilderij zou kunnen voorstellen als brieflezende vrouw of melkmeisje. Dat is de bontjas voor in de compositie, zo levensecht geschilderd dat je haast je vingers zou willen uitstrekken om de vacht te strelen. Dat is het kleurgebruik en natuurlijk de meesterlijke glans van porselein, zilver en wijn.

Alles in De Koppelaarster is verdroomd en stil, ondanks de lach op de gezichten. De gebeurtenis is dáár, en ligt in al haar schittering voor het grijpen. Maar als kijker sta je hier, in een museumzaal, tussen andere bezoekers. Je grijpt dus altijd mis. De afstand zal nooit overbrugd worden. In dit vroege meesterwerk net zo min als in de late werken.