'Pensioen is een onzeker bezit'

Pensioenen moeten soberder wegens crises en groeiende onzekerheid, zegt scheidend ‘pensioenpaus’ Gerard Verheij van VNO-NCW.

En weer is het crisis. De Nederlandse vakbonden en werkgevers zijn nog druk doende om de pensioenschade van de kredietcrisis van 2008 en 2009 te repareren, maar nieuw onweer trekt al weer op vanuit de mediterrane landen. Nederland is met zijn unieke en kolossale pensioenbesparingen kwetsbaar voor onrust op de financiële markten, zoals de afgelopen weken uitbrak bij de schuldencrisis van Griekenland. Zet Europa in Nederland een nieuwe pensioencrisis in gang?

Hoog in het Haagse hoofdkantoor van de grootste ondernemersorganisatie, VNO-NCW, zegt spin-in-het-pensioenweb Gerard Verheij: „De wereld is op hol geslagen. Afspraken over pensioenen maakten we altijd voor de komende tien of twintig jaar. Dat gaat dus niet meer. We moeten het systeem weerbaar en wendbaar maken zodat het met plotselinge turbulentie mee kan ademen. Eén ding staat vast: pensioen is een onzeker bezit. Dat moeten mensen tussen de oren krijgen.”

De pensioenzorgen van de 62-jarige Verheij zijn nu – hij neemt vandaag afscheid wegens vervroegd pensioen – groter dan toen hij in 1997 begon als pensioendeskundige van VNO-NCW. Destijds stond pensioen nog voor zekerheid. Dat veranderde in één klap met het barsten van de internetzeepbel in 2001. Regelingen werden versoberd en toezicht verscherpt. In 2008 volgde de kredietcrisis, die door het wegglijden van de beurzen pas echt een pensioencrisis opleverde. Begin 2009 waren ruim 5 miljoen mensen, 75 procent van de werknemers, verplicht aangesloten bij een pensioenfonds dat technisch failliet was. Ook al zijn de beurzen iets aangetrokken, dat aantal is volgens De Nederlandsche Bank nu nog altijd 2,4 miljoen mensen.

Het vertrouwen in pensioenfondsen heeft een forse deuk opgelopen. Minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken (CDA) concludeerde eerder dit jaar dat we armer zijn dan we denken, dat het beloofde pensioen minder waard zal blijken, dat er zich risico’s aftekenen die nog onvoldoende in de buffers zijn gedekt, terwijl de pensioenpremies hun plafond hebben bereikt. Het betekent niet dat het pensioenstelsel op instorten staat. Maar „er moet snel gehandeld worden” en aandacht aan de risico’s worden besteed, anders wordt op termijn volgens de minister het stelsel wel ondergraven.

Terwijl het demissionaire kabinet niet meer kan handelen, wordt Europa getroffen door een nieuwe crisis. Gaan Nederlanders de Griekse crisis ook nog eens voelen in hun pensioenen? „Het hangt ervan af of Griekenland zijn eigen problemen oplost of niet”, zegt Verheij. De kern van het akkoord met de Grieken is toch dat ze zelf hun eigen rommel moeten opruimen – en dat geldt ook voor Spanje, Portugal en Ierland. „Dat moet lukken als ze de pensioenleeftijd verhogen, normaal belasting gaan betalen en allerlei royale regelingen afslanken. Het is toch raar dat een Griek na 35 jaar werken al met pensioen gaat. Langer werken is ook daar onontkoombaar gezien de veroudering van de bevolking. Ze zullen er doorheen moeten, ook al doet het pijn.”

„Maar als het de Grieken niet lukt om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en er geld wordt bijgedrukt of het begrotingstekort wordt kunstmatig naar beneden gedrukt, leidt dat tot hogere inflatie. Daar heeft de hele Europese Unie dan last van. Wij in Nederland in het bijzonder”, zegt Verheij. In het Nederlandse pensioenstelsel zit veel gespaard en belegd kapitaal. Een hoge inflatie betekent uitholling van dit kapitaal. Daarom is het volgens hem „een bijzonder Nederlands belang” om strikte handhaving te eisen van het Stabiliteitspact voor de euro. Dat geldt overigens ook voor onszelf. „Ook wij moeten de normen voor de euro respecteren en ervoor zorgen dat we binnen redelijke termijn terug zijn op de 3 procent bbp voor het begrotingstekort”, zegt Verheij.

Zijn voorzitterschap van de Pensioencommissie van de werkgevers maakt hem prominent lid van een klein clubje dat de grote veranderingen in de pensioenregelingen de afgelopen tien jaar heeft vormgegeven. In Nederland is Verheij een van dé pensioenonderhandelaars over pensioen als arbeidsvoorwaarde, in het jargon: de tweede pijler. De overheid gaat over de basisregeling, de AOW.

De tweede pijler, het aanvullend pensioen, dat „is van ons”, zegt Verheij: van de sociale partners. Daarvoor sparen de meeste werknemers verplicht via hun bedrijf door middel van een maandelijkse premie. Werknemers betalen ongeveer eenderde, de werkgevers tweederde van de totale premie. Jaarlijks zijn de premies meer dan 25 miljard euro. Werkgevers en vakbonden beslissen er samen over aan de onderhandelingstafel. In de besturen van de pensioenfondsen bespreken ze hoe het belegd moet worden, zodat werknemers ook krijgen wat ze is beloofd. Al blijft de toezegging altijd voorwaardelijk.

Met die tweede pijler is veel geld gemoeid: omstreeks 700 miljard euro. Maar met de kredietcrisis verdampte in het najaar van 2008 in korte tijd 120 miljard. Inmiddels beweegt de waarde van de belegde pensioenen door herstel van de beurzen weer in de richting van eerdere niveaus. „De wereld is turbulent geworden. Je moet overal rekening mee houden”, zegt Verheij. Hij zat twee weken geleden in zijn hotelkamer in Portugal, aan het eind van een Europees pensioencongres. Hij zet CNN aan en ziet in luttele minuten de Dow-Jonesbeursgraadmeter met honderden punten per minuut kelderen. Dat soort dingen.

Verheij is trots op ‘zijn’ pensioenwereld. Banken en verzekeraars moesten gered worden. Nu moeten zelfs complete landen gered worden. Maar de pensioenfondsen redden zichzelf. „De bestuurders verdienen een groot compliment. Terwijl er zoveel kritiek op hen is.”

Daar staat tegenover dat talloze grote pensioenfondsen nog steeds minder reserves hebben dan verplicht is en dat grote fondsen de jaarlijkse verhoging van de pensioenen met de loon- of prijsstijging (zogeheten indexatie) niet meer konden betalen. „Laten we blij zijn met de lage inflatie”, riposteert Verheij. „Twee à drie jaar geen indexatie moeten we niet dramatiseren. Nederland valt er niet van om. Juist de huidige generatie gepensioneerden heeft zijn pensioen deels gratis gekregen – dankzij lage premies – ze kunnen vervroegd uittreden en hun pensioen was nog gebaseerd op hun laatste loon.”

Nee, als iemand pijn lijdt in de pensioenfamilie, zoals Verheij het noemt, zijn dat de jongeren. Zij krijgen minder studiefinanciering, hebben minder baanzekerheid, minder recht op WW of WAO, betalen meer voor hun eerste eigen huis, als dat al lukt, en betalen meer voor hun pensioen. „Jongeren betalen naar verhouding veel meer en krijgen er minder voor terug. Voor gepensioneerden is dat precies andersom. Zij hebben de lusten en de jongeren de lasten. Dat is niet in balans.”

Decennia lang werd het pensioen gekoppeld aan het laatste loon. Dat was de norm. De andere variant, pensioen op basis van het gemiddelde loon tijdens je carrière (het zogeheten middelloon) was, vertelt Verheij, een vies woord, toen hij in 1997 met pensioenen begon. Nu is middelloon de norm.

Verheij: „In weer en wind hebben we de structuren van ons pensioensysteem steeds aangepast. Dat is onze centrale rol.” Adviezen over medezeggenschap voor gepensioneerden (een groep die de werkgevers en vakbonden niet verplicht in de besturen van de fondsen willen hebben), een akkoord over de financiële spelregels van de pensioenwereld (het Financieel Toetsingskader), de gelijke behandeling bij pensioenen van mannen en vrouwen – werkgevers en vakbonden hebben het steeds samen voor elkaar gekregen.

Verdere versobering staat op de agenda. De grootste structuurverandering van na de oorlog moet zich voltrekken: verhoging van de AOW- en de pensioenleeftijd om pensioenen op peil te houden. Na het mislukte AOW-overleg afgelopen herfst, voeren vakbonden en werkgevers achter de schermen weer gesprekken over een pensioenakkoord. Ook over een compromis over verhoging van de AOW-leeftijd, dat zij bij wijze van spreken een dag na de verkiezingen op 9 juni aan de kabinetsinformateur willen aanbieden.

Verheij ziet de oplossing voor zich en wijst op zijn „testament” op tafel: de pensioennota uit 2008 van VNO-NCW: Naar een modern en betaalbaar pensioen. Hij schakelt moeiteloos over op een ander ritme: korte zinnen, ronde woorden. Houdbaarheid van het pensioen staat centraal. Versobering is onontkoombaar. Minder solidariteit, minder collectiviteit, meer flexibiliteit. Een rompregeling met niet te veel franje. En op langere termijn moet er nog langer worden doorgewerkt, tot 70 bijvoorbeeld. „Dertigers en veertigers schrikken daar niet van.”

Werknemers zullen bovenop het collectief georganiseerde basispensioen meer eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. De tweederde bijdrage aan de premies van de werkgevers moet naar 50 procent worden teruggebracht, stelt Verheij. „We moeten de kosten beperken en de risico’s beheersen. Anders keert de wal het schip”, vreest hij. Grote ondernemingen vinden het veel te duur worden. Er zijn al zoveel externe factoren die invloed hebben op het pensioen en die bedrijven niet kunnen beïnvloeden: de rente, de beurs, de inflatie, het lang-leven-risico en de boekhoudregels.

„We zijn echt goed met elkaar in gesprek”, verklapt hij. „Er is een serieuze kans dat we er samen uitkomen.” Ook al staat de grootste vakcentrale FNV onder druk van een activistische SP-vleugel die alles bij het oude wil laten. Bewindslieden, de leiders van werkgeversorganisaties en de bonden kunnen ruzie maken wat ze willen, zegt hij. „Maar gaat het over pensioen, dan praten we altijd met elkaar door. Daar zijn werkgevers en bonden echt samen voor verantwoordelijk. We zijn tot elkaar veroordeeld oplossingen te vinden. Hier moet je niet in je schuttersputjes blijven zitten.”

Opgelucht constateert hij dat de vakbonden inmiddels inzien dat almaar hogere premies niet de oplossing zijn om de kosten te dekken. „Willen we ons pensioen weerbaar maken voor turbulentie, dan moet alles bespreekbaar zijn. We kunnen ons geen heilige huisjes meer permitteren.”