Over oorlog en een loeihard carbidschot

De eindexamens zijn deze week begonnen. NRC-redacteuren maken hun ‘slechtste’ vak opnieuw: gisteren was dat natuur- en scheikunde 2 (vmbo).

Ik ben een alfa, zoals vrijwel al mijn collega’s. Alfa, dat betekent vooral: geen bèta. De meeste journalisten die ik ken, weten niets van exacte vakken. Ze vulden, net als ik destijds, hun vakkenpakketten met geschiedenis, Latijn of Frans. Ze gingen daarna Nederlands of geschiedenis studeren en klitten hierop gezellig samen bij de alfabolwerken die de kranten zijn.

Als correspondent in het Midden-Oosten kan ik verklaren: natuur- en scheikunde, dát moet verplichte lesstof zijn voor iedereen die journalist wil worden in een oorlogsgebied. Ik leer hier elke dag bij. In Gaza-stad ondervond ik regelmatig hoe straaljagers met hun sonic booms een hele stad misselijk van angst kunnen maken. (Die enorme knal heeft te maken met het getal van Mach, die de snelheid van de straaljager meet ten opzichte van de geluidssnelheid).

Scheikunde was handig geweest om te verklaren waarom deeltjes van wittefosforgranaten zich een weg door het menselijk lichaam vreten, zoals dat tijdens de Gaza-oorlog in januari 2009 gebeurde. (Heeft te maken met de combinatie van waterstofmoleculen in de huid en de uiterst gevoelige P4-moleculen). Kennis van de natuurwetenschappen levert, kortom, kennis over oorlogvoering op.

Het vmbo-examen nask 2 (voor de gemengde en theoretische leerweg), dat ik gisteren maakte, was voor mij een flashback naar de jaren negentig. Nask staat voor natuur- en scheikunde, op het vmbo zijn ze samengevoegd tot één vak. Gisteren maakten de leerlingen nask 2, scheikunde. Nask 1, natuurkunde, volgt nog. Het zijn dus toch gescheiden vakken. Onderwijslogica.

Natuur én scheikunde bezorgden mij (examenjaar 1995) destijds een acute vorm van faalangst. Niet eens zozeer omdat het moeilijk was, wiskunde of Grieks vond ik ook moeilijk, misschien wel omdat ik opzag tegen het fysieke karakter van de vakken. Het natuurkundelokaal stond vol met installaties die al kapot gingen als ik ernaar keek. Er kwamen ook nooit precieze resultaten uit die rottige ampèremeters, het waren op zijn best wilde slagen in de lucht.

Scheikunde was nog erger. Daar kon je ook gewond raken aan je eigen onhandigheid. Bij de ingang van het lokaal stond een douche. Voor het geval je in de fik vliegt bij een proef, waarschuwde mijn docent. Van schrik liet ik een lepel met aluminiumpoeder in de gasbrander vallen. Dat fikt goed.

Nu ik over het opgavenformulier gebogen de opgaven van het vmbo-examen maak, denk ik: het valt eigenlijk wel mee. De meeste vragen zijn kennis- en reproductievragen. Dat is niet eng, al helemaal niet als je het naslagwerk Binas er gewoon bij mag houden.

De militaire component van scheikunde is in het examen goed vertegenwoordigd. Een opgave gaat over het carbidschieten, een gewoonte in mijn geboortestreek in Drenthe. „Bij de productie van carbid (CaC2) uit cokes (C) en gebrande kalk (CaO) ontstaat nog een andere stof. Leg uit dat er nog een andere stof moet ontstaan.” Dat zal wel met de O te maken hebben, zuurstof, vermoed ik. Vraag 17 gaat over het effect van het in stukken breken van het carbid voordat het met water gemengd in de melkbus gedaan wordt. Die moet ik spieken bij de antwoorden. „Dan ontstaat er een steekvlam en geen goede knal.” Je krijgt bijna zin het zelf te gaan doen.

Kijk nou. Hierna volgt een serie vragen over fosfor. Het examen beschrijft een proef in een afgesloten bak met water. Als een bootje met fosfor verbrandt, stijgt het waterpeil. Dat zal wel door het verdwijnen van de zuurstof komen. De formule van fosforzuur moet ik schuldig blijven.

Het is een sympathiek examen, je krijgt niet het idee dat leerlingen overvraagd worden. Wel denk ik: het zijn erg veel kennisvragen. Prettig voor leerlingen met faalangst, maar de charme van scheikunde is ook de verbazing om een knallende carbidbus of een fikkend fosfordeeltje.

Examenvragen en reacties op het examen via nrc.nl/onderwijs