NOC*NSF na Terpstra

Enthousiast. Op grote afstand gevolgd door mogelijke andere kwalificaties is dat de karakterisering die zich opdringt bij een terugblik op het voorzitterschap van Erica Terpstra van NOC*NSF. Vandaag legt zij, op bijna 67-jarige leeftijd, het voorzitterschap van deze nationale sportkoepel neer. Hierbij zijn negentig sportorganisaties aangesloten, die samen meer dan 4,7 miljoen in verenigingsverband actieve sportbeoefenaars vertegenwoordigen. De koepel is de belangrijkste gesprekspartner van de nationale overheid als het over sport gaat en heeft (subsidie)geld te verdelen. Het is dus de belangrijkste sportorganisatie in Nederland.

Oud-topzwemster Terpstra was voorzitter van NOC*NSF sinds eind 2007 en bestuurslid sinds 1998. Zij was Tweede Kamerlid voor de VVD in de periode 1977-2003, onderbroken door een staatssecretariaat in het eerste kabinet-Kok (1994-1998). Ook in die functies gaf zij sport een centrale plaats. Zij mag zich met recht de sportambassadeur van Nederland noemen.

Topsporters praten over het algemeen in warme bewoordingen over haar als ‘de moeder van alle sporters’. Noem het het antwoord op het woord dat haar in de mond bestorven lag als een sporter een grote prestatie had geleverd: ‘kanjer!’ Zij was de onvermoeibare supporter van de atleten, voor wie geen tribune te ver weg stond en die bovendien een hartstochtelijk pleitbezorger was van de gehandicaptensport.

Een andere vraag is of Terpstra daarmee ook een goed bestuurder was, in het bijzonder als het gaat om dat deel van het werk dat vooral in stilte moet worden verricht, buiten de schijnwerpers van het sportstadion.

Dan zijn er wel kanttekeningen te plaatsen, en dat gebeurde recentelijk dan ook door een aantal sportbonden. Al jaren sluimerende onvrede kwam vorige maand tot uitbarsting in een notitie waarin zij het vertrouwen in het bestuur van NOC*NSF opzegden. Later zwakten zij dat af, maar hun kritiek is er niet door verdwenen. Ten tijde van het voorzitterschap van Terpstra stapten vier directeuren op in conflictueuze situaties. De afkoopsommen die dat vergt – waarbij sportbonden hun vraagtekens plaatsen – kunnen niet aan de sport zelf worden besteed. De ontwikkeling van de Sportpas liep uit op een financieel fiasco en zo zijn er meer stroppen geweest, waardoor de algemene vergadering van NOC*NSF vandaag niet louter een feestelijk karakter zal hebben.

Onder leiding van de nieuwe voorzitter André Bolhuis onderzoekt een commissie nu de wenselijkheid van een herpositionering van NOC*NSF. Uitgangspunt zou moeten zijn dat de sportkoepel er voor de sportbonden is, en niet omgekeerd. Ook is het de moeite waard om na te gaan of de belangenbehartiging van zowel breedte- als topsport bij één organisatie in goede handen is. De afbakening van taken tussen directeur en voorzitter verdient ook nadere beschouwing.

Bovenal is NOC*NSF toe aan een voorzitter die beseft dat het lastige handwerk van een bestuurder zich vooral afspeelt in vergaderkamers en minder langs de lijn of op de tribune.