Een stille held

Van de goede Duitsers in de Tweede Wereldoorlog zijn in Berlijn minder sporen te vinden dan van de slechte Duitsers – maar ze zijn er wel. De locatie, achteraf in een schamel hofje aan de Rosenthaler Strasse 39 in het voormalige Oost-Berlijn, mag symbolisch genoemd worden. Daar zijn naast elkaar twee kleine musea te vinden, gewijd aan de zogenoemde ‘stille helden’: Duitsers die hulp boden aan vervolgde Joden.

Het eerste museum belicht het werk van een aantal van deze moedige mensen, het tweede is gewijd aan de bijzonderste van hen: Otto Weidt.

Hij verdient dat ook wel, zo’n eigen museum, want hij is een groot man geweest. Hij doet denken aan die andere grote Jodenredder, Oskar Schindler, en misschien is dat ook wel een van de redenen waarom Weidt zo onbekend is gebleven: deze indrukwekkende voorganger die met gelijksoortige daden postuum alle aandacht opzoog. Het museum van Weidt staat niet vermeld in de meeste reisgidsen en het trekt dan ook slechts zo’n 7000 bezoekers per jaar.

Je zou Weidt, als het niet zo denigrerend klonk, een kleine Schindler kunnen noemen. Schindler heeft 1200 Joden gered, van Weidt weten we het niet precies. Hij heeft een aantal Joden aan schuilplaatsen geholpen, sommigen gaf hij, net als Schindler, werk in zijn fabriek. Zij waren zogenaamd onmisbare werknemers die op die manier zo lang mogelijk voor deportatie konden worden behoed.

Anders dan Schindler had Weidt maar een kleine fabriek, waar bezems en borstels voor het Duitse leger werden gemaakt. Weidt, zelf nagenoeg blind, werkte alleen met blinde of dove arbeidskrachten. Zijn fabriekje, dat zo’n dertig werknemers in dienst had, is nog helemaal intact en getransformeerd tot het museum aan de Rosenthaler Strasse. Op de tafels staan nog de machines van de arbeiders.

De fabriek bestond uit elf vertrekken, waarvan het achterste onzichtbaar was: in dit raamloze kamertje, gecamoufleerd door een kleerkast, verborg Weidt een poosje het Joodse gezin Horn – de ouders en hun twee kinderen.

Het was uiteindelijk tevergeefs, want het gezin werd in 1943 verraden, naar Auschwitz gedeporteerd en vermoord. Ook dat is een reden waarom Weidt nooit de status van Schindler zal bereiken: hij kon de Joden in zijn fabriek van 1939 tot 1943 tegen de nazi’s beschermen, maar daarna ging het door verraad fout en werden ze alsnog gedeporteerd.

Van de gedeporteerden is Alice Licht de opvallendste. Weidt, een getrouwd man, kreeg een liefdesrelatie met haar en reisde haar achterna toen ze in Auschwitz belandde. Hij speelt haar geld, kleding en medicamenten toe. Uiteindelijk kan ze vluchten als het Rode Leger nadert. Hij verbergt haar in zijn Berlijnse woning. Met de liefde loopt het slecht af, zoals uit een nagelaten gedicht van Licht blijkt: Und Dir, mein Freund, dem all mein Herz gehört/ hab’ ich die Ruh, die Du so brauchst/ gar bitterlich zerstört. Ze emigreert in 1946 naar Amerika, Weidt sterft een jaar later, 64 jaar oud.

Het DDR-regime voelde niets voor postuum eerbetoon aan Weidt; het museum kwam er pas na de hereniging. Israël gaf Weidt al in 1971 de officiële erkenning die hij verdiende. Nu nog het grote publiek.