De euro is het probleem niet...

Een schuldencrisis zoals die zich nu voltrekt, hadden de architecten van de euro niet voorzien.

Maar niemand had dan ook gedacht dat een land als Griekenland mee zou doen.

Een dreigende ineenstorting van de Europese obligatiemarkten, het inzakken van de euro en een noodfonds van 750 miljard euro, gefinancierd door de landen van de Europese Unie en het Internationaal Monetair Fonds. „Zo’n crisis hebben wij in 1992, toen de Economische en Monetaire Unie werd opgericht, nooit voorzien”, zegt Cees Maas.

Begin jaren negentig was hij thesaurier-generaal op het ministerie van Financiën en een van de drijvende krachten achter het Verdrag van Maastricht uit 1992. Met dit verdrag werd besloten tot invoering van één gemeenschappelijke munt – de euro.

„Wij hadden ook niet kunnen bevroeden dat een land als Griekenland in 2010 zou deelnemen aan de monetaire unie”, zegt Maas. Het land voldoet niet aan de spelregels wat betreft overheidstekort en staatsschuld en doet toch mee aan de euro. „Dat is vragen om problemen. Grote problemen.”

De voormalig topambtenaar en ex-bankier (ING) vindt het bizar dat in de financiële wereld wordt gesproken van een ‘eurocrisis’. „Het is een crisis op het terrein van de overheidsfinanciën, niet van de euro. Kijk naar het koersverloop van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar sinds 2002 en je komt tot de conclusie dat de euro relatief stabiel is.”

Aan de euro ligt een pakket afspraken ten grondslag, legt Maas uit. Daarvan gaat 98 procent over de interne stabiliteit en 2 procent gaat over de externe. „De interne monitoren staan op groen, er is geen inflatiedreiging. Dus het is onzin om te spreken over eurocrisis. Het probleem heeft een andere naam: Griekenland.”

In 2000 had André Szász nog zo gewaarschuwd voor het ‘probleem-Griekenland’. De EMU haalde met Griekenland een land in het eurogebied dat aan geen enkele voorwaarde ten aanzien van de overheidsfinanciën voldeed. Szász is een van de founding fathers van de EMU – vanaf 1973 was hij als directielid van De Nederlandsche Bank betrokken bij het EMS (Europees Monetair Stelsel, de voorloper van de monetaire unie) en bij de onderhandelingen om tot de gemeenschappelijke Europese munt te komen.

Nu zorgt Griekenland – met dank aan de speculanten – voor een crisis in de monetaire unie. Szász nuanceert hun rol. „Speculatie ontstaat niet uit het luchtledige, het is een reactie op het gevoerde beleid. Markten hebben een nuttig en disciplinerend effect als overheden een beleid voeren dat onhoudbaar is.”

Toen Griekenland in 2000 om toelating vroeg, had men gewoon de verdragsverplichtingen moeten toepassen. Op grond van de cijfers die de Grieken toen presenteerden, was er maar één conclusie mogelijk: ze voldeden niet.

Volgens Szász schiet de EMU „volledig tekort” in het afdwingen van de gemaakte afspraken. „Een economische unie houdt als minimum in dat er verplichtingen zijn op budgettair gebied. Probleem is dat die verplichtingen in de praktijk niet zijn afgedwongen.” Landen als Griekenland, maar ook Italië en Frankrijk, zijn er nog steeds niet van doordrongen dat deelname aan de EMU betekent dat je „op monetair en budgettair gebied elkaars binnenland bent”, legt Szász uit. „Die implicatie dringt maar moeilijk door.”

Szász is daarom „zeer ingenomen” met de deelname van het IMF aan de reddingsoperatie. Eenderde van het noodpakket van 750 miljard euro is afkomstig van het IMF. „Het IMF heeft een goede reputatie op het naleven van afspraken. De begrotingstekorten en overheidsschulden moeten weer worden teruggebracht naar het afgesproken niveau. Zo’n taak is het IMF wel toevertrouwd.”

Ook Cees Maas is ingenomen met de rol van het IMF en hij hoopt dat de huidige crisis tot gevolg zal hebben dat de spelregels in de EMU nu wel worden nageleefd. Dus een begrotingstekort van maximaal 3 procent van het bruto binnenlands product en een staatsschuld van maximaal 60 procent.

Landen die daar maling aan hebben, moeten onder curatele worden gesteld, vindt Maas. „In Nederland kennen we Artikel 12-gemeenten, zoiets moeten we ook in Europa hebben. Dat is een kwestie van politieke wil.” Szász benadrukt dat de euro geen economisch project was, maar in de eerste plaats een politieke keuze. „Een majeure politieke onderneming, voornamelijk begonnen om politieke redenen”, schreef hij in zijn The Road to European Monetary Union (1999), toen hij bijzonder hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam was.

Als oud-directeur van De Nederlandsche Bank stemde hij het Nederlandse standpunt in de Europese discussie altijd nauw af met de Duitse Bundesbank. Cruciaal voor de toekomst van de euro is volgens Szász daarom ook het vertrouwen van Duitsland in de Europese Centrale Bank. „De EMU kan alleen maar mislukken als Duitsland eruit zou stappen. Maar het uiteenspatten zou zo’n traumatische ervaring zijn dat ik het niet zie gebeuren.”

Helemaal ondenkbaar is het niet, denkt Szász. „De enige situatie waarin ik me zoiets kan voorstellen is als de Duitse bevolking onrustig gaat worden over haar munt en men de indruk krijgt dat alle garanties over een zelfstandige centrale bank – en een euro die minstens even sterk was als de Duitse mark – zijn losgelaten. Niet voor niets heeft Helmut Kohl [de toenmalige Duitse bondskanselier, red.] gestreden als een leeuw om de ECB in Frankfurt am Main te krijgen. Als de Duitse bevolking echt begint te twijfelen en als populistische partijen in Duitsland daarop zouden inspelen, dan ben je ver heen.”

Lees eerdere artikelen over de euro op nrc.nl/griekenland