Vrede op aarde

Het was rustig in Nederland toen ik ruim een week geleden naar Berlijn vertrok.

De staatssecretaris van Defensie grijnsde zijn onbezorgde grijns, de hoofdredacteur van de Volkskrant leek al even braaf met zijn krant getrouwd, Hero Brinkman scheen een loyale vazal van Wilders, een vliegtuig met ruim zeventig Nederlanders moest nog op weg naar Libië en bij De Telegraaf hadden ze nog geen spijt van dat fatale telefoontje met een zekere Ruben.

Met een gerust hart kon ik dus naar Berlijn afreizen – dat was tenminste een stad waar nog wél eens iets gebeurde.

Berlijn was een gedeelde stad toen ik er, ruim dertig jaar geleden, voor het laatst was. Ik zag toen alleen het westelijke gedeelte, daarom nam ik nu een hotel in het oosten, aan de Krausenstrasse. De buurt was grauw en karakterloos, met veel identieke, hoge flatblokken – nog steeds nogal DDR-achtig dus – maar de overal aanwezige sporen van de geschiedenis vergoedden veel.

Mijn hotel bleek met zijn rug zowat tegen het kolossale gebouw van uitgever Axel Springer te liggen. Wat die twee gebouwen vroeger had gescheiden, was er niet meer: de Muur. Maar er was weinig verbeeldingskracht voor nodig om je voor te stellen wat dat gebouw van Springer voor de DDR moest hebben betekend: een uitdagend opgestoken middelvinger, precies zoals Springer het bedoeld had.

Gretig liet ik me door mijn vrouw fotograferen naast de naamplaat van Springer en voor het beeld dat hij ter ere van zichzelf op zijn stoep heeft opgericht: een man die op een muur balanceert. Springer hield vast aan zijn droom van een verenigd Duitsland tegen alle weerstand in, meldde een plaquette trots. Het was nog waar ook.

Dit was nog maar het begin. Waar je in dit deel van de stad ook staat of gaat, het verleden bespringt je overal. Het heeft de gedaante van big business aangenomen, want de toerist wil maar al te graag komen. Naar namaak-Checkpoint Charlie waar je je voor de zandzakken kunt laten fotograferen met een als Amerikaans soldaat vermomde student. Naar de musea waar de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en van de DDR breed worden uitgemeten. Naar een authentiek stukje ‘Muur’ aan de Niederkirchnerstrasse. En niet te vergeten: naar het Holocaust-monument aan de Ebertstrasse, een veld van duizenden betonblokken, grijzige crypten. Mooi? Nee. Indrukwekkend? Ja. Dwalend over de smalle paden tussen die soms vier meter hoge stenen voel je je ook even verdwijnen in de gaten van de geschiedenis.

Waar was Hitler eigenlijk verdwenen? Zijn bunker moest hier vlakbij gelegen hebben. Verwijsborden ontbraken – men wilde er kennelijk geen bedevaartsoord van maken – maar een receptioniste van het documentatiecentrum Topographie des Terrors wees ons de weg.

We moesten aan de Gertrud-Kolmar-Strasse zijn, op vijf minuten lopen van het Holocaust-monument. Daar was een driesprong bij een parkeerplaats, waar sinds enige jaren een bedrieglijk eenvoudig informatiebord met gegevens over de bunker stond.

Exact op deze plek was de uitgang van Hitlers bunker geweest. Dit was de plaats van zijn ondergang. Ik keek de straat in die er loodrecht op stond, In den Ministergärten.

Links stonden flatgebouwen, rechts was een atletiekbaantje. Vogels floten. Vrede op aarde. Hier zou nooit meer iets gebeuren.