Rigor mortis

Toscane. Noem de Italiaanse streek als vakantiebestemming en je kunt rekenen op jaloerse blikken. Dit is wat de thuisblijver denkt: een glooiend landschap in warm weer, zwembaden waarvan het water tot over de rand loopt, goede wijn, fantastisch eten, espresso, aardige mensen.

Zaterdag deed de Ronde van Italië de laatste dertig kilometer van de etappe over onverharde grindwegen van Toscane. Het regende aan één stuk door. Het gebied was veranderd in een onherbergzaam gebied. Modderstromen van klei vloeiden als een smerige gele pastasaus over de weg.

Ik besefte dat ik naar een legendarische etappe keek. Een ode aan het ouderwetse wielrennen. Geen woord over derde generatie epo, oortjes, aerodynamische zit en isotone dorstlessers. Er was geen tijd voor moderniteiten. Dit was precies wat wielrennen moest zijn: mannen op een fiets, in gevecht met elkaar en de elementen.

Alle bezoekers aan zomers Italië kennen het fenomeen ‘de onverharde weg’. Je bent op weg naar de camping of je gehuurde huis. Je schiet van de asfaltweg af en raakt op een smal grijsgeel pad dat je naar je eindbestemming voert. Het opspattende grind slaat tegen de onderkant van de auto.

De ramen mogen open. Je ruikt struiken en bloemen, het wemelt van de zoemende insecten die van bloem naar bloem vliegen. Het heerlijke nietsdoen begint.

Wielrenners zijn ook een beetje besmet door dat liederlijke Italië. Ze rijden door schitterende gebieden en het volk kust eerbiedig het asfalt waarover het peloton heeft gereden.

Zaterdag was de natuur onbarmhartig de baas over Toscane. Het was koud, er stond wind en het regende hard. De grindwegen, de strade bianche, hadden al hun charme verloren. Het was een lange hindernisbaan geworden.

De renners trokken met hun banden sporen in de modder. De achterwielen sproeiden het vuil omhoog. In een mum van tijd was iedereen geelgrijs van het slijk. „Het zijn lijken”, riep de Belgische verslaggever. Hij zat er niet ver naast. De renners hadden de kleur van een dode en ze waren aan het einde van hun krachten, weggezogen door de kou en het zware parcours.

Het was een sensationele kijkervaring. Keek ik naar een 3D-film, een opera, een woeste performance? Het vuil en water spatten op de lenzen van de televisiecamera’s. Een renner reed met spuug uit zijn mond voorbij. De natte sliert ging heen en weer als een slinger in een penduleklok.

Ik zag de wereld een uur lang door een smerige, beslagen ruit.

De koplopers reden tussen rijen cipressen door. Cipressen doen het goed op een Italiaanse begraafplaats. De lijken reden verder. Vinokoerov, Evans, Garzelli, Pinetto. Mannen met hun doodsmaskers. Ze leken allemaal ruim boven de zeventig jaar. In de diepe groeven van hun gezichten liepen onafgebroken modderstroompjes.

Rigor mortis op de fiets.

Cadel Evans kon van onderkoeling niet lachen toen hij als eerste over de streep ging in Montalcino. Vanuit de helikopter werden beelden getoond van het opeens spookachtige bergstadje. Jezus hing niet aan de kruisen in het centrum; zelfs hij schuilde binnen tegen het barre weer.

De zon zal het binnenkort weer winnen van de kou en de regen. De strade bianche zullen opdrogen. Modder wordt stof dat weer opwaait als een auto met vakantiegangers passeert. Toscane als een ansichtkaart. Maar vergeten doe ik deze vuile etappe nooit meer.