Puritanisme is zelfbedrog

In Jack de Vries komt het failliet van de protestantse deugdzaamheid,het ideaal van de moderne wereld, genadeloos aan het licht, meent Ger Groot.

Staatssecretaris van Defensie Jack de Vries heeft het veld moeten ruimen wegens een buitenechtelijke affaire. Vooral bij de PvdA zal daarom wat gemeesmuild zijn. Want uitgerekend De Vries had tijdens de verkiezingen van 2006 de strategie bedacht Wouter Bos consequent een ‘draaikont’ te noemen.

Is dat leedvermaak mooi van die socialisten? Natuurlijk niet, en daarom zullen ze het zorgvuldig binnenskamers houden. Was het mooi van Jack de Vries om hun zo’n loer te draaien? Ook niet echt, net zo min als het in hem te prijzen valt een loopje te hebben genomen met huwelijkstrouw. Daarom moest ook hier de zaak verborgen blijven – met des te verwoestender gevolgen toen ze toch in de openbaarheid kwam.

Ooit werd die Franse president Mitterrand de vraag voorgelegd of het waar was dat hij er sinds jaar en dag een minnares op nahield en bij haar zelfs een dochter had. Het antwoord had niet korter kunnen zijn: Et alors? Daarna heeft geen haan ooit nog naar de affaire gekraaid. Bij Mitterrands begrafenis zag het Franse volk echtgenote én minnares gezusterlijk achter de baar lopen.

Vaak wordt dat verschil in publieke moraal toegeschreven aan het contrast tussen hypocriet katholicisme en steil protestantisme. Daar zit iets in, want ook al begon Frankrijk al in de 19de eeuw massaal te ontkerkelijken, een morele erfenis poets je niet zo snel weg. Nog altijd wordt ten zuiden van de knoflookgrens gemakkelijker geaccepteerd dat in het persoonlijke en politieke leven meerdere moralen tegelijk kunnen bestaan, en dat het weinig voordeel biedt die onderling op één lijn te brengen.

Dat laatste klinkt verwonderlijk. Heeft één moraal niet de charme van de heldere deugdzaamheid en wordt daarmee niet een betere wereld geschapen? Van dat laatste begint zelfs Frankrijk gaandeweg overtuigd te raken. Nicolas Sarkozy hield zijn minnares al niet meer op de achtergrond. Hij scheidde en huwde ordentelijk opnieuw – al kan daar ook de nodige pronkzucht aan te pas gekomen zijn.

Het ideaal van de betere wereld en een waarlijk deugdzame mens is typisch modern, zo heeft de Canadese filosoof Charles Taylor betoogd. Al vanaf de late Middeleeuwen wilden de kerkelijke overheden het volk graag écht gelovig, moreel en gewetensvol maken. De Hervorming nam die inspiratie over, haar idealen hebben het geloof ruimschoots overleefd. Terwijl almaar minder mensen godsdienstig zijn, prenten wij elkaar de plicht van gewetensvolheid, openheid, consequentie en moraliteit steeds dieper in. Ter rechterzijde gebeurt dat onder de noemer van ‘normen en waarden’, aan de linkerkant onder die van emancipatie, respect en politieke correctheid.

Redelijkerwijs is daar weinig tegen in te brengen, maar helaas is het leven niet altijd redelijk. Natuurlijk had de verliefde staatssecretaris zich standvastig tegen zijn gevoelens kunnen verzetten. Maar het vlees eist zijn tol, en een ál te deugdzaam mens wordt eerder een Jan Salie dan een jongen van Jan de Witt. Een Jan Salie was Jack de Vries niet; daarom kon hij zo’n goede spindoctor én echtbreker worden. En daarom komt in hem het failliet van de protestantse deugdzaamheid, die intussen het ideaal van de hele moderne wereld geworden is, zo genadeloos aan het licht.

Was hij maar van oorsprong een katholiek geweest, zoals Mitterrand. Dan hadden we al zijn gesjoemel moeiteloos kunnen verklaren. Nu duikt de ondeugd op in het hart van christelijk-gereformeerde normen en waarden, die hun donkere schaduw kennelijk nooit helemaal de baas worden. Dat ‘zondigheid’ noemen lost niet zoveel op. De vraag is welke plaats je die zondigheid toewijst. Je kunt haar buiten het systeem gooien, als iets wat eigenlijk niet zou mogen bestaan. Maar wie zo denkt, zal tegenover zijn eigen misstappen steeds weer opnieuw met de mond vol tanden staan, want onuitroeibaar blijven ze.

Zo radicaal is de katholieke moraal volgens Taylor nooit geworden. Ze vond wel dat mensen deugdzaam moesten leven, maar bleef zich er altijd van bewust dat dat maar in heel beperkte mate lukken zou. Mitterrands ‘Et alors?’ was daarvan de perfecte uitdrukking, zoals het politieke einde van Jack de Vries dat is van de protestantse illusies. Als bewindspersoon had hij zich vatbaar gemaakt voor chantage, als CDA’er was hij moreel ongeloofwaardig geworden, zo luidden de argumenten voor zijn aftreden. Dat klopte, maar alleen omdat een onverbiddelijke moraal daarvoor eerst de mogelijkheid had geschapen. Met wat lossere zeden had De Vries de zaak op Frans-presidentiële wijze kunnen afdoen.

We zouden daaruit de conclusie kunnen trekken dat we moeten oppassen met het ideaal van zuiverheid dat de politiek van links tot rechts in zijn greep heeft. Maar zo’n moraal-tegen-de-moraal zou op haar beurt al snel een gevecht tegen windmolens worden. Het is spijtig voor Jack de Vries, maar voorlopig zit er weinig anders op dan het heersende puritanisme te verkroppen – en te wachten op het moment waarop de wal het moralistische schip gekeerd zal hebben.

Ger Groot is hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen.