Medeleven en privacy

De vliegramp met de Airbus 330 bij Tripoli is een van de grootste in de geschiedenis van Nederland. Het medeleven met de nabestaanden van de mensen die zijn omgekomen is daarom groot.

Medeleven blijft geboden. De familieleden en vrienden van de slachtoffers zullen nog lang in onzekerheid verkeren: over de identiteit van hun naasten en ook over de oorzaken van het ongeluk. De zwarte doos is gevonden. Maar de plek des onheils is zo intensief betreden, niet alleen door hulpverleners maar de eerste dag ook door journalisten, dat er wellicht relevante sporen zijn gewist.

Het eerste onderzoek naar de oorzaak lijkt te wijzen op een verkeerde landingsmanoeuvre door slecht zicht. Volgens minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) verdienen de autoriteiten in Tripoli alle steun en vertrouwen. Verstandig. Bij politisering van de ramp heeft niemand belang. Behoedzaamheid in Libië is geboden.

Behoedzaamheid had ook geen kwaad gekund in Nederland, waar media én politieke partijen vorige week de verhoudingen danig uit het oog zijn verloren.

Er wordt weleens gezegd dat de pers zich moet concentreren op duiding, omdat het nieuws door internet toch al bekend is. Als dat waar is, dan gold dat niet voor de ramp in Tripoli. Alle audiovisuele snippers werden, als ware het recycling, eindeloos herhaald.

Sommige massamedia hebben ook informele grenzen, zoals een basaal respect voor privacy, overschreden. Nabestaanden zijn thuis ongevraagd lastiggevallen. Dagboekaantekeningen kwamen in beeld. Persoonlijke pagina’s op sociale internetwerken als Hyves en Facebook zijn gekopieerd en verder gedistribueerd. En in hun jacht op het jongetje, dat als enige de ramp heeft overleefd, hebben enkele media zelfs hun allerlaatste terughoudendheid laten varen. De negenjarige moest en zou met naam en toenaam verbeeld en ook ondervraagd worden.

De pleidooien om wat respect in acht te nemen waren aan dovemansoren gericht. Pas achteraf klonk er sputterend enig schuldbewustzijn. Hopelijk zijn dezelfde media er straks niet als de kippen bij om de overheid te verwijten dat ze te weinig heeft gedaan aan de psychische nazorg.

Omgekeerd etaleerden politici te veel behoedzaamheid door de de campagnes eerst twee dagen te staken en vervolgens nog eens een heel weekeinde. Het is niet voor het eerst. In 1977 gebeurde dat na de Molukse gijzelingsacties in Drenthe. In 2002 stopten ze subiet na de moord op Pim Fortuyn.

Het lijkt zo logisch. Onderlinge politieke strijd is ondergeschikt aan nationaal onheil. Maar het is niet vanzelfsprekend. Het besluit van alle partijen om geen politiek meer te bedrijven, wekt de indruk dat ze de verkiezingen en dus de campagnes zien als een feest dat geen doorgang mag vinden als er geen reden is voor een partijtje.

Verkiezingen zijn echter geen feestje. Ze zijn een serieuze maatschappelijke aangelegenheid. Gelukkig mag er na vijf dagen stilte vanaf vandaag kennelijk wel weer over politiek worden gesproken. Het zou mooi zijn als dat gebeurt met een serieuze toon die zowel past bij het gewicht van de Kamerverkiezingen als bij de schok die de vliegramp heeft veroorzaakt.