Laten zien dat je je om iemand bekommert

Evert Vos probeert contact te leggen met daklozen die geen contact willen.

Soms duurt het een jaar voordat een kopje koffie wordt geaccepteerd.

„Goeiemorgen!” roept Evert Vos tegen een blauw dekzeil in het Rotterdamse Zuiderpark. Vos is daklozenhulpverlener bij Stichting Ontmoeting en speciaal belast met de moeilijkst bereikbare groep, de zogenoemde ‘zorgwekkende zorgmijders’. Ze zijn getraumatiseerd of gedragsgestoord en willen niets met de hulpverlening te maken hebben. Ze slapen buiten, onder bruggen, tussen de struiken ergens op een braakliggend terrein of in een verlaten havengebouwtje. Vos (40) zoekt ze op en probeert contact met ze te krijgen.

Het is een uur of zeven ’s ochtends als we bij het Zuiderpark aankomen. De boswachter had Vos gebeld om te vertellen dat er iemand leek te bivakkeren in het park; of hij eens wilde komen kijken. Geen beweging onder het opbollende dekzeil. Voorzichtig tilt Vos het op. Niets, behalve een dekbed en twee kussens. Naast het zeil ligt alleen een lege portfles, verder geen afval in de directe omgeving. Ook het beddegoed is relatief schoon. Vos concludeert dat degene die hier slaapt waarschijnlijk niet ernstig verloederd is. Binnenkort maar weer eens een kijkje nemen.

‘Presentiebenadering’, zo heet de methode waarmee Evert Vos werkt. Er zijn, laten zien dat je je om iemand bekommert, zonder hulp op te dringen. Dat betekent telkens opnieuw koffie brengen, en blij zijn als die koffie na een paar weken wordt aangepakt. Niet zelden duurt het een jaar voordat het vertrouwen is gewonnen. Pas dan kan de daadwerkelijke hulp verleend worden, in de vorm van medische en psychiatrische zorg, woonruimte en eventueel dagbesteding. Het is een methode die tijd kost, en geduld. Vos heeft dat geduld, de gemeente Rotterdam wat minder. Die wil zo snel mogelijk alle daklozen van straat en ‘in de zorg’. Dat wil zeggen: zij die langer dan drie jaar legaal in de stad verblijven krijgen die hulp. Voor illegalen en niet-Rotterdammers geldt een terugstuurbeleid naar waar ze vandaan komen.

De meeste daklozen zijn verslaafd, zegt Evert Vos, en kunnen daardoor niet nuchter naar hun eigen leven kijken. Haal je mensen uit hun wereldje, geef je ze de kans om na lange tijd weer eens schone lakens te ruiken, dan kan dat net de impuls zijn om hulp te aanvaarden en een menswaardiger bestaan te gaan leiden. Natuurlijk lukt dat niet altijd, maar Vos wil weten dat hij in elk geval gedaan heeft wat hij kon. Ieder mens is een schepsel Gods, tenslotte.

Vos vertelt over Joris, die in de jaren zestig een bekende wielrenner was. Joris dacht dat hij Rotterdam moest verdedigen tegen de Romeinen, en hulpverleners als Evert Vos, dat waren de Romeinen. Op een koude winternacht, het was min vijftien, vond hij Joris slapend op een bankje, met een fles port naast zich. Levensgevaarlijk. Vos heeft ervoor gezorgd dat hij – gedwongen – werd opgenomen in een psychiatrische instelling. Het eerste wat Joris vroeg was waarom ze hem daar niet eerder heen hadden gebracht. Hij woont nu in een tehuis voor oudere daklozen en zwaait opgeruimd als hij langsfietst.

We rijden verder, langs de kerk aan het Breeplein in Rotterdam-Zuid. Evert Vos wijst naar een rijtje lege parkeerplaatsen. Daar stonden een paar jaar geleden nog caravans waar verslaafden huisden. Treurige taferelen trof hij aan. Soms lagen ze totaal versuft hun roes uit te slapen, boven op elkaar – een kluwen mens.

Ron was een van de mannen die daar huisden. Met veel moeite kreeg Evert Vos hem uit zijn wereld, en zorgde ervoor dat hij afkickte en een huis en een uitkering kreeg. Vos nam Ron op een dag mee in zijn bus en reed naar het oosten van het land. Daar kwam Ron vandaan en had hij verschillende internaten bezocht. Vos hoopt dat het iets met hem zou doen, dat teruggaan naar zijn wortels. Dat deed het. Ze hebben samen gevoetbald die dag. Maar zodra hij de stad weer zag, hoorde, rook en proefde was dat heilzame effect weer voorbij: Ron zorgde voor overlast en ging om met ongure types. Toen werd het Evert Vos even te veel. Hij heeft een collega gevraagd om Ron van hem over te nemen; na drie jaar was de accu van Vos leeg. Ron slaapt nu in de kelder van een witgoedwinkeltje. Vos ziet hem nog weleens, als hij, vriendelijk en charmant, de Metro staat uit te delen op het Breeplein.

Tijd voor koffie bij Stichting Ontmoeting aan de ’s Gravendijkwal, de thuishaven van Vos. Hij haalt de deksel van een grote gele broodtrommel, vouwt zijn handen en sluit zijn ogen. Eerder vertelde hij al dat hij „kracht van boven mag ontvangen”. Anders zou hij het werk niet aankunnen. Wat vooral zwaar is, zegt hij, is het contrast tussen de warmte en de harmonie van zijn leven thuis, met vrouw en vier kinderen, en de rauwheid van het daklozenbestaan.

Vos leest graag in de Bijbel en put moed uit het Woord; alleen al uit het gegeven dat Jezus óók naar de verstotenen ging, naar de hoeren en de tollenaars. Veel mensen, ook sommige van zijn mede-kerkleden van de Hersteld Hervormde Gemeente, denken over daklozen al gauw in termen van ‘eigen schuld’. Strijdvaardig verdedigt Vos dan zijn mannen. Begrip kweken voor hen en het lot dat hen heeft getroffen behoort ook tot zijn missie.

Bij het Karel de Stouteplein, een parkje aan de overzijde van de Maas, stappen we uit. In de verte zwaait een fietser naar ons. Het is Aart, zegt Vos. Hij heeft jaren buiten geslapen, maar woont nu in een opvanghuis voor verslaafden. De begroeting is hartelijk. Volgens Aart is Vos anders dan alle andere hulpverleners. Want Evert dringt je niets op, die vertelt niet wat goed voor je is, zoals al die anderen. Wat Evert wel doet, is laten zien dat er meer is op de wereld dan drugs. Aart laat de nicotinepillen zien die hij net bij de apotheek heeft gehaald. Hij gaat proberen te stoppen met roken.

Aart heeft een afspraak op metrostation Alexander. Hij ontmoet een bankdirecteur voor wie hij pillen koopt. Vos gelooft Aarts verhaal maar half, totdat we hem zien praten met een grijze heer in donkere loden jas. De kleine, springerige Aart met zijn tandeloze mond stelt de man aan ons voor. Een klein half uur zit de man bij ons in de bus, en vertelt dat hij al vijftig jaar slaappillen slikt en er vanaf wil. Zijn moeder was ook verslaafd, ze is er oud mee geworden. Maar de pillen werken al lang niet meer, hij slikt ze alleen om de afkickverschijnselen te bestrijden. En behalve zijn vrouw weet niemand van zijn verslaving. Naar zijn huisarts durft hij niet, die weet niet dat hij ‘bijkoopt’ – voor drie tot vierduizend euro per maand.

Omdat Evert Vos alleen daklozen helpt, en dat is de bankdirecteur geenszins, belooft hij de man in contact te brengen met een arts die hem kan begeleiden bij het afkicken. We zetten hem af op een hoek.

Aart verzucht: „Het is zo’n zielige man. Hij leidt een dubbelleven. Hij moet altijd de schijn ophouden. Ik niet. Van mij weten ze dat ik gebruik.” Dan springt hij de bus uit, en verdwijnt in de stad.